Het verzwegen imperium van Piebe Belgraver

door Douwe-Anne Walsma

Inleiding

Ik wist dat Piebe Belgraver in de Schilderswijk het een en ander gebouwd had: in het overzicht van bouwers en architecten van die buurt, dat Beno Hofman noemt, komt zijn naam nogal eens voor. Ik aanvaardde met opgewekt gemoed de taak om hier over hem te schrijven. Even de boeken erop naslaan en klaar is Kees. Maar dat viel vies tegen.

Er blijkt heel weinig over hem bekend. Bij de BNA (Bond van Nederlandse Architecten) noch bij het NAI (Nederlands Architectuur Instituut) heeft iemand ooit van hem gehoord, in architectuurboeken komt zijn naam niet voor. De Nieuwe Groninger Encyclopedie noemt hem niet. Er zat niets anders op dan zelf de archieven in te duiken.

In het kader van het MSP (Monumenten Selectie Project) zijn vele panden in de stad Groningen uit de periode 1850-1940 onderzocht. Ook panden van Belgraver: het lijstje onder zijn naam telt er 23. Het pand Noorderhaven 66-68 komt daar niet op voor. Sneu is overigens wel dat zijn hele oeuvre toegeschreven wordt aan zijn zoon Piebe. Maar in het dossier bij de dienst Ruimtelijke Ordening en Economische Zaken van de gemeente blijkt ook een ongelooflijk lange lijst van panden te zijn, die hij in 1912 in zijn bezit had. Ik viel van de ene verbazing in de andere. Wat heeft die man veel gebouwd!

Hij overleed op 11 augustus 1916. Ik verwachtte in het Nieuwsblad van het Noorden van de dagen erna wel het een en ander te zullen vinden over iemand die zo’n grote rol in de bouwwereld van die tijd heeft gespeeld, maar dat was niet zo. De krant wijdt één regeltje aan zijn overlijden en zijn naam wordt enkel nog in een paar rouwadvertenties genoemd. Maar als je op zoek gaat, kom je wel wat van hem te weten. We beginnen maar eens bij de burgerlijke stand.

Wie was Piebe Belgraver?

Piebe Belgraver werd geboren op 26 april 1854 in de Cubasteeg in Groningen. De Cubasteeg, waarvan de naam later werd verfraaid tot Cubastraat, was genoemd naar de herberg Cuba, die op de hoek van de Oosterweg stond. De steeg maakte deel uit van de bebouwing die hier in het begin van de negentiende eeuw buiten de vestingwallen was ontstaan. In de zeventiger jaren van de vorige eeuw is ze verdwenen ten behoeve van de bouw van het cultuurcentrum De Oosterpoort. Het was een straatje met in totaal 27 huisnummers en er woonden voornamelijk arbeiders. We komen in 1850 beroepen tegen als sjouwer, molenaarsknegt, blauwverver, weversknegt, stadsveger en onderopzigter van de drekstoep - beeldende namen voor gelukkig grotendeels uitgestorven ongezonde beroepen.

Piebes vader, eveneens Piebe geheten, was de zoon van Poppe Hindriks Belgraver, die van beroep witmaker was. Deze Poppe, die in 1784 in Groningen werd geboren, was de eerste die de naam Belgraver voerde. Volgens Huizinga’s complete lijst van namen is het een verbastering van Welgraver, brongraver dus. Maar dit lijkt mij erg onwaarschijnlijk. Waarom zou iemand die ten tijde van Napoleon een familienaam moest bedenken zich Belgraver noemen als hij Welgraver wilde heten? En met zijn beroep had het in ieder geval niets te maken, noch met dat van zijn vader, die tuinier en groenteverkoper was. Dat laatste doet overigens wel veronderstellen dat de familie al enkele generaties lang in deze hoek van de stad buiten de vestingwallen woonde, want groentetuinen lagen buiten de vesting. De drekrijders leegden aan deze kant van de stad hun tonnen: voor tuinders dus ook een ideale vestigingsplaats, de mest zo dichtbij.

Poppe Hendriks trouwde in 1806 met Claaske Brugmans, een vrouw uit Leeuwarden, die een jaar jonger was dan hij. Uit dit huwelijk werd in 1811 Piebes vader geboren. Die trouwde op 18 oktober 1835 met de Groningse Annegien van der Molen; zij was de dochter van een verver en een jaar jonger dan haar man.

Vanaf ongeveer 1850 zijn in de gemeente Groningen een soort volkstellingen per wijk gehouden. In de eerste vrij volledige opname van 1850-1860 komen we het gezin waarin Piebe opgroeide onder de wijk Buiten-Oosterpoort (wijk Y) al tamelijk compleet tegen. Er zijn in de Cubasteeg, in het huis dat het nummer 8714 heeft(er is dus nog stadsnummering), dan zes kinderen; Piebe is de jongste. Hij heeft twee broers en drie zussen: Poppe, Lucas, Geertruida, Klaaske en Jantien. De kinderen komen keurig om de drie jaar. Het gezin is Nederlands Hervormd.

Er woont dan ook nog een in 1820 geboren Aaltje Belgraver op dit adres, een zuster van vader Piebe, die na de dood van haar man tijdelijk bij hen inwoonde.

Bij de volgende opname (1870-1880) is het gezin verhuisd naar de Oliemolensteeg. Het nummer van het huis is wijk Y, nummer 109. Vader Piebe staat nog steeds genoteerd als timmerman. Beide oudere broers zijn metselaar. Piebe heeft nog een broertje gekregen, Geert, en ook wordt een zus genoemd die Aaltje heet en die in 1850 geboren is. Omdat zij ouder is dan Piebe zou zij in de vorige opname al vermeld moeten zijn, zou je denken. Onduidelijk is waarom dit niet is gebeurd. Tante Aaltje wordt niet meer genoemd; Poppe, Geertruida, Klaaske en Jantien wonen in 1870 al niet meer thuis.

Net als zijn oudere broers begint Piebe als metselaar; zo staat hij tenminste in de bevolkingsopname van 1880-1890 genoteerd. Vader is dan overleden en Geert en hij zijn nog als enige kinderen bij hun moeder, die als hoofd van het gezin staat vermeld.

Piebe Belgraver trouwt op 24 mei 1883 met Lummechiena Scharmga, geboren op 27 januari 1861 in Groningen. Zij is één van de vijf kinderen van een binnenschipper, die aan de Turfsingel in Groningen ligt. In de bevolkingsopname van 1880-1890 staat het gezin ingeschreven in de Olieslagerssteeg, nummer 500. Het paar krijgt drie kinderen: Piebe (1884), Lummechiena (1886) en Annegiena (1890).

Begin en opbouw van een imperium

In de tweede helft van de negentiende eeuw zijn het drukke tijden in de bouw. Ten zuiden van de stadsgracht staan in 1870 639 woningen, in 1880 zijn dat er 1.371, in 1890 is het aantal gegroeid tot 2.238. Piebes vader moet er een graantje van mee hebben gepikt, want hij laat zijn vrouw zeven woningen in de Mauritsdwarsstraat na, die hij samen met zoon Geert in 1882 heeft gebouwd (Geert is ook voor de helft eigenaar). Na de dood van moeder in 1886 worden ze verkocht en zullen de kinderen elk hun erfdeel hebben gekregen. Maar Piebe zet al eerder voorzichtig zijn eerste schreden op het ontwikkelingspad. In het archief van het kadaster is dat allemaal prachtig na te gaan.

Zijn eerste aankopen, in 1884, zijn twee huizen met erf aan de Verlengde Lodewijkstraat. Dat zal hij gedaan hebben om de perceelgrootte: 1,47 are. Daar zouden later heel wat huisjes op gebouwd kunnen worden! Om een beeld te krijgen van hoe Piebe en andere aannemers-ontwikkelaars in die tijd te werk gingen, moeten we even naar een ander deel van de stad, de Noorderplantsoenbuurt, want daar gaat Piebe eigenlijk echt van start.

Aan het eind van de negentiende eeuw eiste de gemeente van de ontwikkelaars dat die op hun kosten straat en riolering aanbrachten, die dan later om niet aan de gemeente moesten worden overgedragen. Onderhoud en verlichting werden wel door de gemeente verzorgd.

Tegen die aanleg van straten hikten de ontwikkelaars behoorlijk aan. Zo neemt Piebe in 1885 een grote tuin van bijna 10 are in het gebied tussen Verlengde Grachtstraat en het Reitdiep over van aannemer Bos, die er geen gat meer in ziet. Op zijn beurt probeert Piebe dan herhaaldelijk er een minder grootschalig - en dus goedkoper - stratenplan door te krijgen, maar de gemeenteraad gaat er niet mee akkoord.

Piebe moet door de bocht, en dan ontwerpt en bouwt hij aan de 'Münster Kolfbaan' in 1887 14 woninkjes van een kleine 30 vierkante meter elk. (Dat is later de Zwarteweg geworden, tussen Veldstraat en Kerklaan.) Hij bouwt vanaf 1887 veel huisjes in die buurt, aan de Kerklaan, de Selwerderstraat etc., allemaal één laag met kap en twee ramen naast de voordeur. Een mooi ensemble is de Rijskampenstraat, die helemaal van zijn hand is. De afwijkende breedte van dat straatje doet overigens vermoeden dat de gemeente niet steeds zo’n uitgesproken mening had over de gewenste breedte van de straten. Op een paar uitzonderingen na houdt Piebe alle panden zelf en verhuurt ze. Er zit steeds een hypotheek op, dat wel.

Eind tachtiger jaren ontwikkelt Piebe ook in andere delen van de stad. Zo koopt hij aan de Verlengde Visscherstraat een paar percelen voormalige vestinggrond, die hij bebouwt met een drietal 'burgerhuizen' met werkplaats. In één ervan gaat hij zelf wonen. (Wanneer ik dit ontdek, krijg ik wel een beetje het idee door mijn onderwerp omringd te worden: het begon met de overkant, nu ook al achter ons. Dat gevoel wordt nog sterker wanneer ik erachter kom dat Piebe ook ons buurhuis Reitdiepskade 2 heeft gebouwd.) Naast de voordeur van Verlengde Visserstraat nummer 7 bevindt zich een steentje met de letters PB en LS en het jaartal 1887. We mogen aannemen dat ze daar woonden. De zaken gaan goed, ze hebben nu ook een inwonende dienstbode.

We komen Piebe ook tegen in de Westerhavenstraat (15 t/m 27) en aan de Westersingel, waar hij een paar herenhuizen ontwerpt en bouwt. Ook deze zijn bestemd voor de verhuur, maar wel voor een beter gesitueerde bevolkingsgroep. De panden zijn dan ook wat rijker geornamenteerd dan de eenvoudige woninkjes rond de Kerklaan. Qua architectuur is het de opmaat voor zijn latere herenhuizen.

Na 1890 is er sprake van een snel groeiende woningnood in de stad. Er zijn enkele kleine bouwverenigingen als Werkmanssteun en Werkmanslust, maar die bouwen in het geheel niet meer - en particulieren bouwen veel minder huurwoningen, terwijl de bevolking van Groningen in omvang explosief toeneemt. In dat gat springt Piebe Belgraver.

Vanaf 1896 lijkt hij elke locatie te ontwikkelen waar hij de hand op kan leggen. En steeds volgens hetzelfde procédé: grond kopen, zelf een ontwerp maken, bouwen en verkopen of verhuren. De te verhuren huizen gaan allemaal onder hypotheek.

Na 1893 doet hij ook zaken samen met collega-aannemers. Soms laat Piebe zich dan als architect omschrijven en noemt zijn collega zich aannemer. Aangenomen mag worden, dat dit de werkverdeling weergeeft. Maar de samenwerking duurt nooit lang: na enkele jaren worden de bezittingen weer verdeeld of verkocht. Het kortst, minder dan een jaar, duurt de samenwerking met ene Dayo Mulder, die zichzelf bouwkundige noemt. Hier vermoed je competentiestrijd als oorzaak van de breuk, want Dayo zal zich ontwikkelen tot een geducht concurrent. (Hij bouwt later zo ongeveer de hele Piet Heynstraat vol.) Alleen met Pieter Conitzkie, een metselaar, blijft de samenwerking in stand.

Het moet de bourgeoisie van Groningen hebben gestoken. Van de percelen voormalige vestinggrond aan de nieuwe singels, waar die bourgeoisie zich zelf dacht te gaan vestigen - ze werden door het Rijk bij opbod verkocht -, krijgt Piebe er een behoorlijk aantal in handen. Dat begint al aan de Praediniussingel: de nummers 5, 7 en 27 tot en met 39 zijn door Piebe gebouwd en worden in de verhuur gedaan. De erachter liggende, eenvoudiger woon- en koetshuizen aan de Ganzevoortsingel gaan in één moeite mee.

In de rij grote panden staat er één die bestaat uit een aparte beneden- en bovenwoning (nummer 39-39a). Beneden gaat Piebe met zijn gezin wonen, het bovenhuis wordt verhuurd aan de familie Simon van der Aa (vader Jan staat vermeld als hoogleraar). Waarom zou Piebe dit dubbele huis gebouwd hebben? Als het verhuurtechnisch beter uit zou komen, had hij er in deze wand wel meer gebouwd, zou je zeggen. Of wilde hij hier vanaf het begin al wonen en was hem een enkel pand toch te royaal? De familie had per slot nog steeds maar één dienstbode. We zullen het niet weten.

Aan de buitenzijde van de Praediniussingel bouwt hij in- 1902 het dubbele pand 2-4 en aan het Emmaplein zet hij in 1900 de dubbele villa nummer 4-5 neer. Aan de Radesingel bijna een hele wand: de nummers 13-23 en 31. Alle genoemde panden houdt hij in eigendom. En alles onder hypotheek, dat spreekt.

Als je ziet hoe zijn allereerste ontwerpen eruitzien, moet je constateren dat Piebe aan de singels met zijn tijd is meegegaan: zijn eclectische bouwstijl past heel goed in de overige bebouwing. De elite van die tijd schakelde daarvoor natuurlijk architecten van naam in, maar Piebe doet alles zelf.

In dezelfde stijl, soms iets soberder, bouwt hij panden in de Marktstraat (6-10), aan het Nieuwe Kerkhof N.Z. (37-39), én het pand aan de Noorderhaven (toen met het nummer 32), waarvoor de oude bebouwing - onder andere een huis met koepel (!) - moet wijken.

In 1900 stort Piebe zich op de uitbreiding van de Oosterpoortwijk. Hij koopt ondershands een aantal percelen grond in het zuidelijke deel van de wijk en dient voor dat gebied een plan in. Hij lijkt zich bij de nieuwe eisen van bredere straten te hebben neergelegd, en het is dan ook zichtbaar dat dit deel van de Oosterpoort veel ruimer is opgezet dan het noordelijke. Hij bouwt aan de nieuw aangelegde Verlengde Nieuwstraat en de Van Sijsenstraat in één jaar enkele complexen met in totaal 44 woningen met afzonderlijke bovenwoningen en vijf winkels met bovenwoning. De architectuur van deze panden is een stuk eenvoudiger dan van die aan de singels, maar hier werd ook niet voor de elite gebouwd. Dat veel de stadsvernieuwing overleefd heeft, zegt wellicht iets over de bouwkundige kwaliteit. Het behoorde in de tachtiger jaren van de negentiende eeuw in ieder geval niet tot de slechtste bebouwing, want die werd in de Oosterpoort toen gesloopt.

Verder koopt Piebe in deze jaren hapsnap in de stad onroerend goed. Alleen de grond, om te bebouwen, maar ook bestaande opstallen. Soms is een omschrijving te mooi om onvermeld te laten (in 1902 verworven): 'Een huis geteekend 17 met erf en grond te Groningen in de Sledemennerstraat met recht op een mandeeligen put en eene mandeelige regenbak, doende jaarlijks op Sint Michiel tot grondpacht één gulden vijftig cent'.

In 1901 richt hij zijn aandacht ook op de Schilderswijk. Hij koopt er grond en dient een plan in voor het gebied ten zuiden van de Kraneweg. De gemeente verordonneert dat de huizen in de door hem aan te leggen straat (de Jozef Israëlsstraat) minimaal 8 meter hoog moeten worden. In de jaren 1903-1904 bouwt hij de nummers 12 tot en met 46. Daarvan heeft hij er in 1912 nog een groot aantal in eigendom. Later volgen nog de nummers 82 tot en met 90, die hij eveneens gaat verhuren.

Bedreigende ontwikkelingen en reactie

Tot ongeveer 1903 loopt alles voor Piebe voorspoedig en kun je van een bloeiperiode spreken. Maar zijn positie wordt bedreigd. Enkele sociaal geëngageerde notabelen trekken zich de erbarmelijke huisvesting van de arbeidersklasse aan en wenden zich tot de gemeente met het verzoek om financiële steun voor het oprichten van een nieuwe woningbouwvereniging. Piebe ziet zijn toekomst bedreigd en tekent protest aan. Als voorzitter van de Woningverhuurdersvereniging Door Eendracht Sterk wendt hij zich tot de gemeenteraad. We zullen overigens nooit weten of de vereniging naar aanleiding van deze kwestie is opgericht, want het archief van DES is in de oorlog grotendeels verbrand en later zijn de resterende oude stukken vernietigd.

Piebe schrijft dat het oprichten van een woningbouwvereniging 'ten gevolge zal hebben eene kunstmatige verlaging van de huurprijzen waardoor niet alleen hare leden schade wordt toegebracht, doch waardoor juist het ontstaan van gebrek aan woningen zal in de hand worden gewerkt'.

B en W wijzen dit adres af en verlenen de woningbouwvereniging NV Volkshuisvesting een voorschot van fl. 37.000,--, een garantie voor een rente van 3% plus de gratis aanleg van een straat achter de weg naar Bedum. Enkele jaren later wordt met de bouw van de gesubsidieerde huurwoningen aan de Bedumerstraat begonnen.

De oprichters van NV Volkshuisvesting waren niet de minsten: de bankier jhr mr Feith was voorzitter, een invloedrijk man die ook voorzitter van de Gezondheidscommissie was (de voorganger van Bouw- en Woningtoezicht), die de gemeenteraad adviseerde. En ook komen we Jan Evert Scholten tegen, de bekende grootindustrieel. Piebe zal zich bij de gevestigde elite met zijn actie niet geliefd hebben gemaakt.

Er komt dus concurrentie op de huurmarkt. Ook van een andere kant krijgt Piebe het steeds lastiger. De woningwet van 1901 stelt strengere eisen aan de particuliere bouwondernemers en ook de gemeente hanteert steeds hogere normen. Zo moeten de straten steeds breder, wat een haalbare exploitatie moeilijker maakt. Door dit samenspel van factoren stort de bouw in de stad rond 1905 dan ook geheel in.

Het lijkt of Piebe de bui heeft zien hangen.

Vanaf 1903 keert hij zich van de stad Groningen af en verlegt hij zijn aandacht naar Assen en Vries en omgeving. Hij koopt her en der grond en bouwt er tot 1909 23 burgerhuizen, 19 herenhuizen en een villa. Dit aantal houdt hij in bezit. Niet uitgesloten mag worden dat hij meer bouwde.

De zoon van zijn broer Poppe, ook een Piebe, is metselaar geworden en verhuist in 1907 met zijn gezin naar Assen. Dat kan toeval zijn, maar het is aannemelijk dat hij voor zijn oom Piebe de zaken in Assen wat in de gaten moest houden. Want nadat er aan de activiteiten van Piebe een einde is gekomen, verhuist neef weer naar Groningen.

Ook nu worden de benodigde percelen ondershands of op veilingen gekocht. Maar Piebe koopt ook percelen met opstallen. En ook hier mag een mooie omschrijving niet onvermeld blijven (1908): 'Eene boerenbehuizing met groenland, hooiland, ontgonnen gronden, dennenbosch met ondergrond, veen, water, heide en molentjes, alles gelegen in de gemeente Anlo'.

Mólentjes!

De apotheose is wel de aankoop op een veiling in 1910 van landgoed Voorveld in Harenermolen. Dit landgoed bestaat uit de villa Voorveld - Piebe bouwt er later nog een villa bij -, drie boerenplaatsen met schuren en verdere opstallen, erven, bosgrond, wei- en bouwlanden. Het geheel omvat 44 kadasternummers en de totale omvang is maar liefst meer dan 26 hectare!

Privé verandert er in deze tijd het een en ander.

In 1910 trouwt dochter Lummechiena met de caféhouder Geert Lucas Petersen. Ze gaan wonen aan Veemarktstraat 7. In hetzelfde jaar vertrekt Annegiena naar Nederlands-Indië, waar ze later trouwt met ene A. Wijnstok. Ze wonen in Bandjermasin op Borneo. Alleen Piebe junior is nu nog thuis. Hij staat als bouwkundige in het bevolkingsregister vermeld.

Verval en afbraak

Het heeft er alle schijn van dat Piebe vanaf 1910 in financiële problemen raakte. Was het landgoed Voorveld toch een maatje te groot? Of namen de huuropbrengsten af? Hij heeft steeds in onroerend goed gehandeld, maar nu koopt hij niet zoveel meer en áls hij koopt doet hij dat steeds vaker samen met iemand anders. In maart en april van het jaar 1911 verwerft hij met collega-aannemer Derk Smit op een paar veilingen nog een serie panden aan de Jozef Israëlsstraat (72 tot en met 80), aansluitend op de nummers 82-90, die hij al in eigendom had. Daarna koopt hij niets meer. Piebe begint zelfs panden die hij al jaren in bezit heeft te verkopen. Zo verkoopt hij in 1910 de helft van de dubbele villa aan het Emmaplein en in 1912 en 1913 de twee geschakelde herenhuizen aan de buitenzijde van de Praediniussingel. Alle bouwterreinen die hij aan de Kraneweg nog in bezit heeft worden afgestoten.

Maar het lijkt hem niet uit de problemen te helpen. Zo komt het ervan dat Piebe op 16 juli 1912 bij de notaris zit voor de oprichting van de naamloze vennootschap Belgravers Bouwmaatschappij. Het kapitaal van de NV bedraagt fl. 50.000,--. De helft komt van een aantal handelaren in bouwmaterialen, onder wie bekende Groninger namen als Nanninga, Van Calcar en Wigboldus.

Piebe krijgt de andere helft van de aandelen en levert in ruil daarvoor zijn onbelaste activa in. Enkele percelen grond, twee polissen van levensverzekeringen en 'eenige roerende goederen zoals eene praam, plus minus acht honderd meter spoor en wissels, negenendertig kipkarren, boerenbeslag en drie paarden'. Maar ook worden negen hypothecaire schuldvorderingen ingebracht: ze bedragen samen meer dan de benodigde fl. 25.000,--, dus over de invorderbaarheid zal twijfel hebben bestaan. Steenhouwer Terpstra wordt directeur van de NV, Piebe moet genoegen nemen met één van de vier commissarisposten.

In eerste instantie begreep ik niet wat er de reden voor was, dat Piebe op 4 september van het jaar 1912 opnieuw bij notaris De Groot verschijnt. Op die datum verkoopt hij zijn hele bezit aan de NV. De lijst van in te brengen percelen bevat meer dan 160 panden en verder nog de wereld aan percelen bouwgrond, boerderijen met toebehoren en ook landgoed Voorveld.

De koopprijs bedraagt het voor die jaren ongehoord hoge bedrag van één miljoen en zes-en-dertigduizend gulden. Met dat bedrag zullen de hypotheken worden afgelost en eventueel resterende schulden worden voldaan.

Ik begreep niet wat er zich had afgespeeld. Ik dacht dat Piebe het misschien gewoon zat was en van de hele boel af wilde. Per slot is hij in 1912 58 jaar en dat is ook wel een mooie leeftijd om te gaan rentenieren. Maar uit het feit dat hij eerst zijn levensverzekeringen en nu ook het huis waar hij zelf woont heeft mee verkocht moet afgeleid worden dat er geen sprake was van vrijwilligheid. Maar het was George Mulder die het antwoord vond. Bij het archiefonderzoek dat hij in het kader van dit boek deed stuitte hij op een bezwaarschrift van Belgraver tegen de “aanslag in de hoofdelijke omslag van 1913”. Zeg maar de voorloper van onze onroerend-goed aanslag. Piebe schrijft daarin, dat hij een salaris van de N.V. ontvangt van f2000,- plus vrij wonen, maar dat hij de verplichting heeft om twee kamers gratis te verstrekken voor kantoren, kamers die hij moet laten verwarmen en schoonhouden. Dus de waarde van die twee kamers moet van de bijtelling voor vrij wonen af. Dit bezwaarschrift wordt vergezeld van een verklaring van notaris De Groot die schrijft dat bij de oprichting van de N.V. Belgravers Bouwmaatschappij Belgraver verplicht was om al zijn onroerende en deels ook zijn roerende goederen over te dragen. En dan komt het: “en dat zijn financieele toestand toen van dien aard was dat hij ver beneden nul stond en dat hij in staat van faillissement zou zijn verklaard indien zijne schuldeischers hem niet hadden bijgestaan door hunne vorderingen niet op te eischen.”

Dus bij de oprichting van de B.V. in Juli was de zaak al afgesproken, maar het opstellen van die ongelooflijk lange lijst met over te dragen panden zal niet op zo korte termijn geregeld kunnen zijn. En dat verklaart waarom die overdracht pas in september plaats vindt.

Ook Pieter Conitzkie, die inmiddels onder de Invaliditeitswet valt, valt mee in het gat en moet zijn aandeel in een aantal panden aan de Jozef Israëlsstraat aan de NV verkopen.

Er is geen archief van de NV overgeleverd. Zo weten we niet of een onderdeel van de afspraken was dat Piebe al zijn zakelijke en bouwactiviteiten staken zou. Vast staat dat hij het doet. Van een aantal panden in aanbouw wordt de bouw stopgezet. De verhuur, iets wat Piebe altijd zelf heeft beheerd, wordt overgedragen aan makelaar La Gro en Zoon, die tweewekelijks in het Nieuwsblad van het Noorden in een grote advertentie meldt voor welke panden en ten behoeve van welke eigenaren hij voor nieuwe huurders heeft gezorgd.

In de privé-sfeer zijn er ook de nodige bekommernissen.

Geert, Piebes broer met wie hij veel samenwerkte, wordt ernstig ziek. Het is misschien wel mee een factor geweest om zijn bezit over te dragen. Geert overlijdt op 1 mei 1914; de familie spreekt in de advertentie van een langdurig doch geduldig lijden. En Piebe junior zorgt voor een schandaaltje. Op 17 februari 1914 bevalt de ongehuwde melkventster Annechien Mensinga in de Grote Rozenstraat 57 van een dochter. Deze Elsje Cornelia wordt door Piebe junior erkend. Op 30 april van dat jaar trouwt hij met Annechien. In het begin wonen ze op verschillende adressen, maar ook bij haar moeder in. Het zal dus geen vetpot zijn geweest.

Het einde

Piebe overlijdt vier jaar later, op 11 augustus 1916. Hij is dan 62 jaar. Het Nieuwsblad van het Noorden van 12 augustus staat bol van nieuws over de Europeesche Oorlog en het front aan de Somme. In de rubriek Stad en Dorp staat één kort zinnetje: 'De heer P. Belgraver, architect alhier is gistermiddag in de Heerestraat plotseling doodgebleven.' Dat is alles. Een dergelijk sterfgeval werd ook vermeld als het een arbeider betrof, dus van eerbetoon kun je niet spreken.

De Nieuwe Provinciale Groninger Courant van die dagen staat vol met leuke nieuwtjes. Zo is de heer D. Harsema te Helpman geslaagd voor het examen groenteteelt der Nederlandse Maatschappij voor Tuinbouw, wordt dagelijks de temperatuur van het badwater vermeld en wordt verslag gedaan van de voortgang van de bouw van het nieuwe Provinciehuis. Maar het overlijden van Piebe staat alleen onder de gegevens van de burgerlijke stand.

De Provinciale Groninger Courant wijdt er eveneens geen woord aan.

De familie plaatst een overlijdensadvertentie in het Nieuwsblad van het Noorden en in de Provinciale Groninger Courant. 'Heden overleed plotseling onze innig geliefde Echtgenoot, Vader, Behuwd- en Grootvader de heer Piebe Belgraver'. En, na de namen van vrouw, kinderen en schoonkinderen, onderaan: 'Eenige en algemeene kennisgeving. Geen bezoek.'

Verder zijn er advertenties van de familie van zijn vrouw, de familie Meywes ('onze onvergetelijke vriend') en twee van het personeel. Het 'gezamenlijke Personeel te de Punt-Vries' spreekt van 'onze hooggeachte en beminde Patroon'. Het ' Personeel Zandgroeve Zuidlaren' schrijft: 'Wij waren met de grootste dankbaarheid vele jaren bij hem werkzaam'.

Van zijn mede-vennoten horen we niets. Als je dat combineert met het zwijgen van de pers, kun je alleen maar vermoeden, dat men Piebe een parvenu is blijven vinden.

Op het adres aan de Praediniussingel worden in de periode 1910-1920 Piebe junior

en zijn gezin bijgeschreven. Er wordt geen precieze datum van verhuizing genoemd. Maar er is al wel een tweede dochter, Lummechiena. Omdat die in 1916 is geboren, is het aannemelijk dat ze na het overlijden van Piebe bij moeder zijn ingetrokken.

In 1920 verandert het systeem van bevolkingsregistratie: men gaat over op vastlegging per gezinsnaam in plaats van per huis. En bij die nieuwe registratie woont moeder Belgraver niet meer aan de Praediniussingel, maar in een bovenwoning in de Wipstraat, op nummer 9a. De rijke tijden zijn duidelijk voorbij. Eind jaren twintig woont ze een jaar in Amsterdam, maar ze komt terug en vestigt zich in de Rabenhauptstraat. Ze overlijdt in 1947.

Dochter Lummechiena vertrekt in januari 1918 naar Beilen.

Zoon Piebe en zijn gezin wonen in 1920 niet meer in Groningen. Hij is met de noorderzon vertrokken. We weten dat hij in 1921 van zijn vrouw is gescheidenen komen hem weer tegen wanneer hij zich in 1926 in zijn eentje in Rotterdam laat inschrijven. Hij geeft dan op uit Châteauroux te komen, 250 kilometer onder Parijs. Is het gezin daar vóór de scheiding eerst in zijn geheel heengegaan? Wat we weten is dat hij op 8 september 1941 geen adres in Rotterdam meer heeft, maar slechts een postbusnummer. Dat wijst erop dat hij tijdens het bombardement op Rotterdam in mei 1940 zijn huis is kwijtgeraakt. De mobiliteit van de mensen die hun huis kwijt waren geraakt was zo groot dat de overheid hen om praktische redenen een postbus gaf. En dat zou dan weer kunnen verklaren waarom van het immense archief dat Piebe van zijn werk moet hebben gehad niets meer over is: het kan in 1940 verloren zijn gegaan. Hoewel natuurlijk ook niet uitgesloten moet worden geacht dat dit archief voor de - het vijandige Groningen ontvluchtende - nabestaanden van Piebe wel het laatste was dat ze mee hadden willen nemen. Maar er zijn ook geen foto's van het gezin bekend, en die moeten toch ongetwijfeld gemaakt zijn. Piebe junior heeft in 1944 nog steeds een postbusnummer. In februari 1945, in de hongerwinter, overlijdt hij. Zijn dochters overlijden kinderloos. Maar zou er ergens toch niet iets zijn overgebleven?

Van Frank Straatemeyer kreeg ik een lijst met adressen van de Belgravers in Nederland. Het waren er ruim zeventig. Ik heb er een aantal gebeld. Van een archief of foto's was niemand iets bekend. Het enige dat het opleverde, was dat één van hen meldde dat hij in de Bordeaux wijn was tegengekomen van Château Belgraver. En dat het goede wijn was geweest. Zou Piebe junior zijn handen uit de mouwen hebben gestoken?

En dan de laatste vraag: waar is Piebe Belgraver begraven? Is er nog iets zichtbaar? Ik begin met het meest voor de hand liggende: de Zuiderbegraafplaats in Groningen. De beheerder, de heer Blok, zoekt in oude grafboeken en vindt wat ik zoek. Piebe is op maandag 14 augustus op de Zuiderbegraafplaats in Groningen begraven.

Hij ligt in vak 4, rij 15, grafnummer 79.

Op het goedkoopste deel van de begraafplaats.

Op de eenvoudige steen staat Familie P. Belgraver. Sommige letters zijn er afgevallen. De steen lijkt van jonger datum. Maar de plaats van het graf doet vermoeden dat ook de oorspronkelijke steen niet de kwaliteit had die je bij een man met zo’n staat van dienst (en met een mede-vennoot die steenhouwer was) zou verwachten.

Laten we het er maar op houden dat Piebe Belgraver zélf voor een memorabel monument heeft gezorgd. En dat nog wel in het meervoud. Tien van zijn panden zijn nu Rijksmonument.

Belangrijkste geraadpleegde bronnen:

Archief kadaster Groningen (aanwezig in de Groninger Archieven)

Beno Hofman, De Schildersbuurt West end, Noordboek, Groningen, 2000

Bevolkingsregister Gemeente Groningen, 1850-1930 (Groninger Archieven)

Door vlijt en spaarzaamheid met moed uit niet getoogen. Sociale woningbouw in de stad Groningen 1850-1940, uitgave van Woningbouwvereniging Groningen en Woningstichting Gruno, Groningen, 1994

Dr P. Kooy: Groningen 1870-1914. Groninger historische reeks 1, Van Gorcum, Assen, 1987

Nieuwsblad van het Noorden (steekproefsgewijs), 1890-1920