De God van Jezus

Kerk in Stad januari 2008

Voor mij liggen twee publicaties over God en twee verzoeken om daarop te reageren. Het gaat om het inmiddels veelbesproken boek “Geloven in een God die niet bestaat” van ds Klaas Hendrikse. Het verzoek erover te schrijven komt van de kant van de redactie van Kerk in Stad. De andere publicatie heeft in Nederland minder opzien gebaard. Het is een open brief aan de Christenheid van een aantal moslimgeestelijken getiteld "A Common Word between Us and You" 1. Aartsbisschop Matta Roham uit Syrië met wie ik e-mailcontact onderhoud bracht hem onder mijn aandacht en vroeg me om een reactie. Eerlijk gezegd hebben de publicaties hebben niet veel gemeenschappelijk. Dat ik ze samen bespreek is omdat mijn kanttekeningen op één punt vergelijkbaar zijn. Maar vooral omdat ik het van belang vind beide geschriften onder uw aandacht te brengen.

Hendrikse

Hendrikse wil wie last hebben van de spanning tussen traditioneel geloof en wetenschap op weg helpen. Daarbij schuwt hij stevige kritiek niet. Hij verwijt de leiding van de Protestantse Kerk in Nederland mensen van nu af te schepen met antwoorden van toen. De reactie van b.v. de preses van de synode op zijn boek lijkt hem gelijk te geven. Een grondstelling van Hendrikse is dat God valt buiten de verschijnselen waarvoor het woord bestaan zinvol kan worden gebruikt. Het geloof van Israël is gegroeid uit ervaringen van mensen die onderweg zijn van geboorte naar dood. In het wel en wee van de levensweg gebeurt God soms. Dat is wat in Exodus 3 wordt uitgezegd in de Hebreeuwse godsnaam: “Ga maar, dan ga ik met jullie mee”. Als in de Bijbel over God wordt gesproken als een persoon of een macht in de wereld van de dingen, dan is dat niet een uitdrukking van het eigene van het geloof van Israël, maar meer een reactie op heidense godsvoorstellingen. Geloven is voor Hendrikse niet het erop nahouden van bepaalde opvattingen over b.v. een hogere macht, maar God is een woord voor onverwoordbare ervaringen: voor het appel dat uit kan gaan van een medemens, maar ook van een ervaren geborgenheid of aanwezigheid. Deze ervaringen spelen zich tussen, maar ook in mensen af.

“Geloven is voor mij niet het aannemen van bepaalde waarheden. Voor mij is God niet iemand die ergens is. God is voor mij de kracht die uit Bijbelse verhalen opkomt en mensen aanzet om naar elkaar om te zien; inspireert om het leven aan te kunnen. God is een kracht en inspiratiebron die geschiedt en gebeurt tussen mensen en in mensen.” Zo ongeveer antwoordde ik afgelopen zomer toen een journalist mij vroeg naar mijn geloof in God. Ik voel me dus niet ver verwijderd van de gedachtewereld van Hendrikse. Wat hij schrijft is overigens niet echt nieuw of revolutionair. De mystieken gingen hem voor, evenals tal van 20ste eeuwse theologen. “Een God die niet bestaat is heel gangbaar in de theologie” Schreef Marcel Poorthuis op 30-11-07 in het blad Volzin. En Jean-Jacques Suurmond schreef op 11-12-07 in Trouw: “Dominee atheïst? Da’s geen probleem maar een open deur” Wat stof doet opwaaien is denk ik vooral de woordkeus en toonzetting van collega Hendrikse. Of is het de angst van gelovigen om de confrontatie met de wetenschap en het moderne levensgevoel écht aan te gaan?

Voor een belangrijk deel herken ik mij dus in de positie van Hendrikse: ook ik zoek en vind inspiratie door het geloof in de God “Ga maar, dan ga ik met jullie mee”, die soms gebeurt in en aan mensen. Een verschil is, dat ik deze God op heel bijzondere wijze belichaamd zie in wat de Bijbel over Jezus vertelt. Ik wil het spreken over God niet alleen vullen vanuit de ‘onverwoordbare ervaringen’ van mensen, maar ook en vooral vanuit het spreken van en over Jezus. Niet ieder appel dat tot een mens komt en niet iedere troost die wordt ervaren kan er bijbels gezien mee door. Dat wat zich tussen en aan mensen kan voordoen als God heeft zich nadrukkelijk en voor mij ook normatief in Jezus uitgesproken.

Open Brief

De open brief die ik onder uw aandacht wil brengen werd midden oktober ter gelegenheid van het einde van de Ramadan (de Islamitische vastenmaand) aangeboden aan christelijke leiders. De 138 ondertekenaars zijn afkomstig uit 43 landen en vertegenwoordigen vele Islamitische denominaties, zowel gematigde en liberale als ronduit extremistische, zodat het gaat om een geluid dat representatief is voor vele stromingen in de Islam. De titel van de brief luidt: “Een uitspraak die voor jullie en voor ons gezamenlijk juist is”. Het gaat om een Korancitaat (Sura 3,64) 2 waarin de ‘mensen van het boek’ (Joden en Christenen), worden opgeroepen om, zo zij dan geen Moslim willen of kunnen worden, in elk geval alleen God te dienen en er naast Hem geen andere goden op na te houden. De brief stelt dat de toekomst van de wereld afhangt van vrede tussen Moslims en Christenen. Zij immers vormen samen meer dan de helft van de wereldbevolking. De basis voor deze vrede is er al, want beide godsdiensten gaan uit van de eenheid van God, het gebod Hem lief te hebben en het gebod tot naastenliefde. Met vele citaten uit de Koran krijgen deze uitgangspunten reliëf. De oproep lijkt een welgemeend en dringend pleidooi voor een beter begrip tussen Moslims en Christenen om een apocalyptische strijd tussen de twee grootste godsdienstige blokken in de wereld af te wenden. Daarom verdient deze oproep serieuze aandacht. Toch wil ik enkele kanttekeningen plaatsen.

Allereerst verbaast het me, dat er alleen een beroep wordt gedaan op Moslims en Christenen. Er wordt geen appel gedaan op Hindoes, Boeddhisten, Taoïsten of ongelovigen. En die vormen tezamen toch ook een aanzienlijk deel van de wereldbevolking. Zou godsdienstvrede tussen Moslims en Christenen echt een goede basis voor wereldvrede zijn? Mij lijkt dat die meer gebaat is bij een breder appel op alle mensen van goede wil, liefst op basis van heldere gezamenlijke afspraken. En wat is er dan mis met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens?

Wat mij nog meer bevreemdt is (dit ten tweede) dat het Jodendom – toch ook onverdacht monotheïstisch - in de brief geheel buiten beeld blijft. Weliswaar wordt het Shema, de kernbelijdenis van Israël over de eenheid van God, enkele malen genoemd, maar slechts eenmaal met een verwijzing naar de oorspronkelijke vindplaats in de Thora (Deut. 6: 4v). Voor het overige wordt deze belijdenis opgevoerd als een citaat uit de mond van Jezus. Ik vraag me af waarom het Christendom in de brief los gezien wordt van zijn Joodse wortels. Heeft het ermee te maken dat het in de moslimwereld gemeengoed is om de Joden als de ergste vijand van de Islam te zien? Christenen kunnen in de hier beoogde dialoog naar mijn mening in elk geval onmogelijk aan het Jodendom voorbijgaan.

Mijn derde kanttekening gaat over de naastenliefde. De brief suggereert dat Islam en Christendom het gebod tot naastenliefde gemeenschappelijk hebben. Dat is een populair misverstand. Wie de naaste is wordt in Christendom en Islam namelijk verschillend gedefinieerd. In het Christendom is de naaste principieel ieder medemens. In de Islam is de naaste die je moet liefhebben slechts de geloofsgenoot en die moet dan ook nog van dezelfde traditie zijn. Joden en Christenen moeten klein gehouden worden, ongelovigen bekeerd of gedood, afvalligen omgebracht en ketters bestreden.

Mijn laatste kanttekening sluit aan bij thema’s uit het boek van Hendrikse. De brief gaat er impliciet vanuit dat de Allah van de Koran en de God van de Bijbel in wezen één en dezelfde zijn, althans dat het godsbegrip in beide religies vergelijkbaar is. Die gedachte deel ik niet. Ik vindt het als Christen onmogelijk om over God te spreken in voorbijzien aan het bijbels getuigenis van Israël en het getuigenis in het Nieuwe Testament omtrent Jezus Christus. En precies die visie wordt in de brief afgewezen. De brief lijkt een aanzet tot dialoog, maar is in feite een oproep om de Islamitische, unitarische, belijdenis van God te accepteren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de brief over de eenheid van God precies die Korancitaten gebruikt die in de traditie van de Islam altijd zijn ingezet om de christelijke leer van de Drie-eenheid en de goddelijke natuur van Jezus te bestrijden..

Wat voor mij in het christelijk geloof onopgeefbaar is, is dat de Eeuwige waarvan de Bijbel spreekt gezicht en profiel gekregen heeft in Jezus Christus. “Niemand heeft ooit God gezien, maar de eniggeboren Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, die heeft hem doen kennen.” (Joh 1: 18). Als christen zoek ik mijn gelovige oriëntatie in deze ware Zoon van Israël, die ons de weg wijst opdat God ook hier en nu blijft geschieden. Een godsdienstvrede die geen ruimte laat voor dergelijke noties lijkt mij heel broos.

 

1 De brief is te vinden op: www.acommonword.com/index.php?lang=en&page=option1

2 Zeg: "Mensen van het boek! Komt tot een uitspraak die voor jullie en voor ons gezamenlijk juist is. Dat wij alleen God dienen, dat wij niets aan Hem als metgezel toevoegen en dat wij elkaar niet tot heren naast God nemen." Als zij zich echter afkeren, zeg dan: "Getuigt dat wij [aan God] onderworpenen zijn."