Jean Pierre Rawie over troost, dood

en heimwee naar vroeger tijden

 

door Ynte de Groot

Tot zijn eigen verrassing werd een gedicht (1) van hem opgenomen in het nieuwe ‘Liedboek – zingen en bidden in huis en kerk’. Hij is niet gelovig, maar heeft er geen enkel bezwaar tegen.

 

Troost

"Poëzie en religie hebben met elkaar gemeen dat zij kunnen troosten. Door woorden te vinden voor onbegrijpelijke dingen worden die minder bedreigend. Religieuze teksten, zoals die bij voorbeeld rond een overlijden in de kerk klinken, zijn vaak eeuwenoud en kunnen de situatie draaglijker maken. Ik vind het verhaal van de Zondeval (Gen. 3) bij voorbeeld een geslaagde poging om zin te geven aan het gevoel dat de schepping niet is zoals die zou moeten zijn, dus dat er kennelijk iets fout moest zijn gegaan wat die discrepantie verklaarde. Zo is ook het verhaal van het lijden van Jezus op zich onbegrijpelijk: hoe kan iemand die juichend wordt binnengehaald kort daarop worden uitgestoten? En wat is daar troostend aan? Maar als je het verhaal ziet tegen de achtergrond van de christenvervolgingen wordt het invoelbaar. "

 

Dood

"Goed beschouwd is het curieus dat veel mensen de dood, die toch volledig bij het leven hoort, als onrechtvaardig ervaren. Poëzie en religie kunnen helpen om verzoend te raken met de condition humaine. In bepaalde tijden wilde dat overigens ook wel eens ontsporen. Neem nu de aria “Ich freue mich auf meinen Tod” (2) van de grote Bach. Daarin wordt naar de dood uitgezien als de vervulling van elk aards verlangen. Dat gaat mij wel wat ver. Mijn gedichten zijn vaak zwaarmoedig van toon, maar men heeft meer aan treurige poëzie dan aan vrolijke. Muziek in mineur ontroert meer dan de fanfare. Regels van mij worden daarom geregeld geciteerd in rouwadvertenties. Ik kwam eens iets van mezelf tegen op een graf, met mijn naam erbij. Ik denk dat van niet zoveel mensen de naam al bij hun leven op een grafsteen staat."

 

Tekst

Het gedicht Ritueel doet mij denken aan de joodse gewoonte om aan tafel een plaats vrij te houden voor het geval de profeet Elia terugkomt. Is dat toeval, of bedacht je dit bij het schrijven ook?

“Nee, zo schrijf je niet. Natuurlijk ben ik gevormd door alles wat ik las, maar zoiets leg ik er niet in. Het gedicht is de tekst, daarvoor ben ik verantwoordelijk. De rest ligt bij de lezer. Soms waait er een geheimzinnige wind door de tekst, dat is mooi. Overigens is dat geen excuus voor vaagheid. Daarom hou ik niet zo van de teksten van Huub Oosterhuis. Die zijn soms half mystiek, maar wat er precies staat is me niet altijd duidelijk."

 

Gemis

"Van mijn kerkelijke jeugd heb ik niets negatiefs overgehouden. Mijn vader was doopsgezind predikant, dus daar merkte je niets van: alles mocht, niets was rigide of benauwend. Ik herinner me allemaal aardige mensen en een intellectueel klimaat. Andere schrijvers en dichters waren kennelijk minder fortuinlijk. Niet dat ik vind dat je je jeugd van alles de schuld kunt geven. Ik ken iemand die aan lager wal was geraakt na drie mislukte huwelijken. Hij vond het allemaal de schuld van zijn vader. “Your past is not your future” (3) schreef de Britse arts en schrijver Theodore Dalrymple terecht.

Een echt geloof heb ik nooit gehad. Ik mis dat ook niet. Wel mis ik dat een bepaalde culturele achtergrond is weggevallen. Allerlei kennis, die ooit gemeengoed was, is verdwenen. Een gezamenlijke basis ontbreekt in onze cultuur. De scholen bieden het niet meer aan. Zo was ik eens ergens waar de tekst “Veel te laat heb ik jou liefgekregen” van Huub Oosterhuis klonk. Niemand wist dat het een bewerking van een tekst van Augustinus was! (4) Zo is ook de hele kunstgeschiedenis onbegrijpelijk zonder kennis van de Griekse mythologie en de bijbel. Met wie kan je nog praten over Homerus en Voltaire? Of over de bijbel? Ik voel me daardoor wel eens een zonderling."

 

Ritueel

Ik houd het kleine ritueel in ere,

opdat je elk moment terug kunt keren.

Iedere dag wanneer het avond wordt,

maak ik de tafel klaar: een extra bord,

bestek, je eigen stoel, een kaars, een glas,

alsof je enkel opgehouden was.

Ik hoor (hoe kon ik denken dat hetgene

waardoor ik ben, voor altijd was verdwenen?),

ik hoor, alsof de woning nog bestond,

het grind, de klink, het aanslaan van de hond,

en je komt binnen op het ogenblik

dat ik de lamp ontsteek, de bloemen schik.

Ik hoop alleen dat ik dan rustig blijf

en haast niet opziend van mijn stil bedrijf

de woorden vind, als was het vanzelfsprekend:

Schuif aan; tast toe: er is op je gerekend.

 

Noten

(1) Liedboek blz 1489 - “Ritueel” uit de bundel Woelig stof, Amsterdam, Bert Bakker 1993

(2) Ik verheug mij op mijn dood

(3) Je verleden is niet je toekomst.

(4) het lied staat in Verzameld Liedboek, Kampen/Antwerpen, Kok/Halewijn 2004 blz 226 – daar staat ook de verwijzing naar Augustinus, Belijdenissen X,27