De uitgestoken moslimhand

in VolZin, opinieblad voor geloof en samenleving - 8 februari 2008

In VolZin van 11 januari j.l. besprak Cees Veltman onder de titel “Moslimleiders steken hand uit” een open brief die 138 moslimleiders aan de christenheid schreven. De open brief stelt dat de toekomst van de wereld afhangt van vrede tussen Moslims en Christenen. Zij immers vormen samen meer dan de helft van de wereldbevolking. De basis voor deze vrede is er al, want beide godsdiensten gaan uit van de eenheid van God, het gebod Hem lief te hebben en het gebod tot naastenliefde. Met vele citaten uit de Koran krijgen deze uitgangspunten reliëf. De oproep lijkt een welgemeend en dringend pleidooi voor een beter begrip tussen Moslims en Christenen om een apocalyptische strijd tussen de twee grootste godsdienstige blokken in de wereld af te wenden. Daarom verdient deze oproep serieuze aandacht. Toch wil ik er enkele kanttekeningen plaatsen. Drie korte en één iets uitvoeriger.

Alleen Moslims en Christenen?

De brief doet een beroep op Moslims en Christenen. Niet op Hindoes, Boeddhisten, Taoïsten of ongelovigen. Mij lijkt dat de wereldvrede gebaat is bij een appel op alle mensen van goede wil, liefst op basis van heldere gezamenlijke afspraken. En wat is er dan mis met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens?

 

En de Joden dan?

Het Jodendom – net als Islam en Christendom toch onverdacht monotheïstisch – blijft in de brief buiten beeld. Het Christendom wordt los gezien van zijn Joodse wortels. Heeft dit ermee te maken dat het in de moslimwereld gemeengoed is om de Joden als de ergste vijand van de Islam te zien? Christenen kunnen in de hier beoogde dialoog naar mijn mening in elk geval onmogelijk aan het Jodendom voorbijgaan.

 

Godsbeeld

De brief gaat er vanuit dat de Allah van de Koran en de God van de Bijbel in wezen één en dezelfde zijn. Maar Christenen kunnen naar mijn mening niet over God spreken in voorbijzien aan het getuigenis dat het Nieuwe Testament omtrent Jezus Christus geeft. Precies die visie wordt in de brief afgewezen. De brief is in feite een oproep om de Islamitische, unitarische, belijdenis van God te accepteren. Over de eenheid van God worden dan ook precies die Koranverzen geciteerd die in de traditie van de Islam altijd zijn ingezet om de christelijke leer van de Drie-eenheid te bestrijden.

 

Naastenliefde

De belangrijkste kanttekening bij de open brief die ik hier wil maken betreft echter het spreken over naastenliefde. Opmerkelijk is allereerst dat de brief maar liefst zeven bladzijden (plus een aantal pagina’s voetnoten) wijdt aan de liefde tot God en slechts één aan die tot de naaste. De brief suggereert dat Islam en Christendom het gebod tot naastenliefde gemeenschappelijk hebben. Dat is naar mijn mening een populair misverstand. Wie de naaste is wordt in Christendom en Islam namelijk verschillend gedefinieerd.

Het Arabische spraakgebruik kent voor de naaste in geografische zin een ander woord dan voor de naaste als geloofsgenoot. De eerste is een buurman, de tweede een broeder. De praktijk in landen met een wetgeving die gebaseerd is op de regels van de godsdienstige meerderheid als die Islamitisch is weerspiegelt dit verschil. Broeders in het geloof hebben er andere (lees: meer) rechten dan buren die behoren tot godsdienstige minderheden. Christenen en leden van andere godsdienstige minderheden in deze landen kunnen daar een aardig boekje over opendoen. Zo is het in een land als Syrië wel toegestaan om van Christen Moslim te worden, maar de omgekeerde beweging is verboden. En probeer als christelijke gemeenschap in Turkije eens een kerk te bouwen of zelfs maar te restaureren!

Het springende punt is naar mijn gevoel de vraag hoe ‘de ander’ in de christelijke en in de islamitische praktijk feitelijk wordt behandeld. Anders gezegd: wordt de broeder in het geloof op dezelfde manier bejegend als de buurman in geografische zin? Ik vrees dat we moeten vaststellen dat in de Islam in de praktijk de naaste die je moet liefhebben slechts de geloofsgenoot is. En die moet dan ook nog van dezelfde traditie zijn. Joden en Christenen moeten klein gehouden worden, ongelovigen bekeerd of gedood, afvalligen omgebracht en ketters bestreden.

Specifiek voor het christendom is, dat het gebod tot naastenliefde geografische, maar ook religieuze grenzen principieel overstijgt en zich uitstrekt over de gehele mensheid. De christelijke liefde tot de naaste ziet principieel in ieder medemens een broeder of zuster. De centrale vraag blijft naar mijn overtuiging daarom de vraag die de schriftgeleerde aan Jezus stelde: “Wie is mijn naaste? ” (Lucas 10: 29). Daarover zullen Moslims en Christenen nog diepgaand met elkaar van gedachten moeten wisselen.

 

ds Ynte de Groot (predikant van de PKN te Groningen)