CHRISTENEN IN ZUIDOOST TURKIJE

 

Rond het proces tegen Koerdenleider Öcalan was het zuidoosten van Turkije weer even nieuws. Vrij onbekend is het feit dat in de schaduw van de strijd tussen Turken en Koerden een kleine minderheid van Syrisch-orthodoxe christenen leeft. Deze syriani wonen al eeuwen in de streek en koesteren zowel in het dagelijks leven als in de liturgie het Aramees, de taal van Jezus. Hun bestaan is aangevochten. Op het ogenblik zijn fanatieke moslims en Koerden daarvan de oorzaak. En een overheid die op zijn minst laks is in het beschermen van deze onderdanen. In mei, juni en juli 1999 bracht ds Ynte de Groot zijn studieverlof bij hen door.

 

GESCHIEDENIS

De geschiedenis van de syriani gaat terug tot de gemeente die in de eerste eeuw in de stad Antiochië ontstond. Het bijbelboek Handelingen vertelt erover (hoofdstuk 11 en 15). Vanuit Antiochië verbreidde het evangelie zich naar Edessa en Amid, de huidige Turkse steden Sanliurfa en Diyarbakir. Aan het eind van de 2e eeuw is het christendom in de regio wijd verbreid. In de 6e eeuw komt het tot een breuk met de hoofdstroom van het christendom, zodat de Syrisch-orthodoxen als ketters vervolgd worden. Zij kunnen zich echter aan de randen van het Byzantijnse Rijk handhaven. Ook onder de later opkomende Islam houdt de gemeenschap zich eeuwen staande.

De situatie verslechtert in de aanloop naar de vorming van de Turkse staat. Vanaf 1914 vinden niet alleen slachtingen plaats onder Armeense christenen, ook de syriani hebben zwaar te lijden van Koerdische milities onder Turks commando. Ongeveer een derde van de syriani komt om het leven. In de daarop gevormde nieuwe eenheidsstaat Turkije worden weliswaar enkele godsdienstige en etnische minderheden officieel erkend, maar de syriani horen daar niet bij. Het onderwijzen van de eigen taal en godsdienst op eigen scholen wordt daarop verboden.

MOR GABRIEL

Het klooster Mor Gabriel, het geestelijk en bestuurlijk centrum van de syriani in Turkije laat zich beschrijven als een ommuurd stadje. Vanuit de verte ziet het eruit als een vesting, overheersend is het geel van kalkzandsteen. Van dichterbij blijkt het een samenstel van gebouwen, opeengedrongen binnen een ommuring van ongeveer tachtig bij tachtig meter. Boven het toegangshek staat het indrukwekkende jaartal 397.

Achter de stalen hoofdpoort bevindt zich een verwarrend geheel van pleintjes en terrassen - sommige met prachtig uitzicht, andere meer besloten - met elkaar verbonden door gangen, poorten en trappen. Aan een eigen verdiept voorplein staat de kerk van het klooster, gewijd aan Mor Gabriel. Een sobere rechthoekige ruimte uit de 4e/5e eeuw van tien bij twintig meter met een hoog tongewelf en een mooie zangakoestiek. Muren en gewelf van grote blokken natuursteen. Naast vier gezinnen leven er momenteel een leraar, veertien nonnen, twee monniken en de aartsbisschop. Samen met de scholieren en studenten vormt het klooster een gemeenschap van bijna zeventig personen.

UITSTRALING

Het verbod op kerkelijke scholen grijpt nog steeds diep in. Het onderwijs dat in Turkije van overheidswege gegeven wordt is feitelijk islamitisch onderwijs en is sterk Turks-nationalistisch gekleurd. Het is haast overbodig te vermelden dat het onderricht in de eigen taal, het aramees, van de scholen is verbannen, om van de overdracht van de rijke liturgische traditie van de kerk maar te zwijgen.

Eén van de speerpunten van de activiteiten van het klooster is dan ook het onderwijs. Het klooster telt bijna dertig studenten. Allemaal jongens tussen elf en zeventien jaar. Het gros afkomstig uit dorpen in de omgeving. Zij gaan van hieruit naar de staatsscholen in het nabijgelegen Midyat, maar worden daarnaast geschoold in de eigen taal en liturgische traditie. Enkele wat oudere jongens komen niet uit de omgeving. Hun familie week uit naar elders, en de jongens zijn hier om de wortels van hun traditie te verstevigen. Voor hen is er een speciaal lesprogramma met veel zelfstudie.

Toch heeft men in het klooster oog voor meer dan de overdracht van eigen taal, cultuur en traditie. Men weet dat ook leerlingen die geen kerkelijke loopbaan als priester of malfono (kerkelijk leraar) ambiëren een behoorlijke opleiding moeten hebben. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, want het onderwijs in het zuidoosten van het land is bar slecht. Er is daardoor in het gebied sprake van een permanente braindrain: iedereen die verder wil komen trekt naar het westen van het land. In het klooster proberen de begeleiders er door bijlessen toch nog iets van te maken.

BEZOEKERS

Het klooster is weliswaar primair het geestelijk centrum van de christenen in de streek, maar ook voor de syriani in Europa die uit de regio afkomstig zijn heeft het klooster grote betekenis. Het belang van het klooster als centrum van bezinning en studie is de laatste jaren zelfs toegenomen. Dagelijks bezoeken gelovigen het klooster voor bezinning, gesprek en gebed. Zij zijn niet alleen afkomstig uit Europa, maar ook uit de Verenigde Staten, Syrie en India, waar een twintig miljoen christenen leven die ook tot de orthodoxie gerekend worden. Het klooster staat open voor bezoekers van alle christelijke kerken en wil voor hen een geestelijk centrum zijn. Op het ogenblik wordt er gebouwd aan extra gastenverblijven. Verder wordt gespeeld met de gedachte om kleinere ruimten te bouwen op het terrein buiten de muren, bestemd voor wie rust zoeken voor bezinning en meditatie. Immers ook vroeger waren er nabij het klooster cellen voor monniken die de eenzaamheid verkozen boven het gemeenschapsleven. Ook speelt men met de gedachte van het inrichten van een tentenkamp voor groepen jongeren op een deel van het buitenterrein. Zowel het gebouw en de omgeving, als het geestelijke klimaat van Mor Gabriel hebben een groot potentieel. Voorwaarde voor deze (eventueel ook meer internationale) uitbouw van de activiteiten van het klooster is natuurlijk wel, dat er in de regio een zekere stabiliteit ontstaat. Er zal een eind moeten komen aan de voortdurende druk van de moslimomgeving en de dreiging van de PKK en de overheid zal ook deze onderdanen moeten willen beschermen, niet in de laatste plaats tegen haar eigen willekeur en onverschilligheid. En hier zit een kwetsbare plek in de positie van het klooster. Want het is zeer de vraag of de Turkse overheid in staat is een andere dan een militaire oplossing voor de problemen in de regio na te streven. De recente ontwikkelingen geven weinig aanleiding tot optimisme.

NAWOORD

Op grond van wat ik wist was ik, voordat ik naar Tur Abdin ging, tamelijk pessimistisch over de kerkelijke situatie. Het bezoek aan de dorpen en kloosters heeft tegenstrijdige gevoelens bij me opgeroepen. Aan de ene kant ben ik somber geworden. Van de vijftig christelijke dorpen van twintig jaar terug zijn er nog achttien over. Tientallen dorpen werden op last van het leger geëvacueerd of verwoest, of overgedragen aan gewapende Koerdische dorpswachten. Uit de andere dorpen vluchtten de christenen voor het geweld van de islamitische buren. Het aantal syriani liep terug van 50.000 naar 2.500, minder dan mijn wijkgemeente telt. Velen trokken naar Europa en ik ben steeds beter gaan begrijpen waarom.

Aan de andere kant zag ik bij de mensen die bleven een diep en koppig geloof. Ik hoorde hymnen en gebeden, met intense devotie gezongen door monniken en nonnen, boeren en bouwvakkers, studenten en schoolkinderen. Ik sprak ook plaatselijke en regionale kerkleiders die sterk zijn, toegewijd en integer. En ik berekende dat er in de kloosters niet minder monniken en nonnen zijn dan zo'n tien jaar geleden. Daarnaast merkte ik dat steeds meer jongens, die opgroeiden in Europa maar met wortels in Tur Abdin, voor een paar maanden overkomen om zich te verdiepen in de taal en de liturgie van hun voorgeslacht. En ondanks het feit dat het niet is toegestaan om het christelijk geloof op school te onderwijzen zijn er tientallen jongens en meisjes die na schooltijd naar de madrasjto (school) gaan in de kerk of in het klooster om de taal en de liturgie te leren.

De stille etnische zuivering van zuidoost Turkije is nog niet voltooid. Er zijn nog syriani en de taal van Jezus wordt er nog gesproken. Wat er aan christendom overbleef is op zichzelf vitaal genoeg om te overleven. Maar het is de vraag is of dat ook lukt als de druk van buitenaf blijft aanhouden: de onopgeloste veediefstallen en vernielingen, de kleine en grote pesterijen van leger, politie en lokale overheden. De christenen van Tur Abdin vragen geen steun. Zij vragen wel van de zusterkerken in Europa en Amerika om er bij hun regeringen op aan te dringen de zaak van de mensenrechten in Turkije eindelijk serieus te nemen. Om beloften van de Turkse overheid op dit gebied ook te controleren. De Turkse overheid heeft laten zien uit zichzelf geen enkele haast te maken met het verbeteren van de situatie van de mensenrechten in het land. Als de buitenwereld Turkije niet op korte termijn dwingt om de rechten van deze christelijke minderheid te erkennen en te respecteren, zal het binnenkort met hen gedaan zijn. Maar dat is dan niet meer de schuld van Turkije alleen.