Boekbespreking: De eerste eeuwen

Rodney Stark pepert het ons weer eens in: het christendom begon niet als een beweging van de armen. En zijn boek, dat ik hier bespreek, kunt u ook maar beter niet lezen wanneer u hecht aan de gedachte dat dit wél het geval was. Op overtuigende wijze toont Stark aan, dat de basis van het vroege christendom veelmeer gevormd werd door leden van de midden- en hogere klassen.

Dat hád ik natuurlijk kunnen weten. Ooit vertaalde ik de 'Handelingen van Petrus'. Petrus predikt daarin in Rome. Een niet onaanzienlijk deel van deze prediking bestaat uit de oproep tot seksuele onthouding. Een citaat: "En een andere vrouw, die bijzonder mooi was, Xantippe genaamd, de vrouw van Albinus een vriend van de keizer, kwam evenals de andere aanzienlijke vrouwen bij Petrus en ook zij deed afstand van Albinus. Deze nu raakte buiten zinnen en verlangde naar Xantippe en was verbijsterd dat zij niet met hem in hetzelfde bed sliep. Hij tierde als een beest en wilde Petrus ombrengen." (hfdst 34/5) Dit 2e eeuwse geschrift gaat er dus vanuit, dat de prediking van Petrus op ruime schaal gehoor vond bij hooggeplaatste vrouwen. Ik hield het opvoeren van de 'dames van stand' voor een poging het christendom cachet te geven, maar weet nu beter.

Het bijzondere van Starks boek is, dat het tot conclusies komt door het gebruik van methoden uit de sociale wetenschap. Eerder bestudeerde Stark religieuze bewegingen in de Verenigde Staten. Hij legde bepaalde patronen bloot volgens welke sekten ontstaan en groeien. Deze patronen vergelijkt hij nu met gegevens uit het begin van de kerkgeschiedenis. Het resultaat is een nieuw beeld van de groei en ontwikkeling van de vroege kerk.

Starks ontneemt je dus het beeld van de vroege kerk als verzamelplaats van geknechte slachtoffers van het Romeinse Rijk, maar je krijgt er ook iets voor terug. Zo wordt het aannemelijk, dat de relatief goede en gelijkwaardige positie van de vrouw in de kerk een factor van betekenis was bij de snelle groei van het christendom. De klassieke wereld was een mannencultuur. Het huwelijk stond laag in aanzien en áls er getrouwd werd bleven gezinnen klein. Ongewenste kinderen (meisjes dus) werden na de geboorte gedood of te vondeling gelegd. Ook was er een verbreide, riskante abortuspraktijk - die veel vrouwen het leven kostte of onvruchtbaar maakte. De kerk wees kindermoord en abortus af. Daardoor was de vruchtbaarheid onder christenen veel groter. Dit alleen al zorgde voor sterke groei.

Een andere belangrijke oorzaak van de groei ziet Stark erin, dat bij het uitbreken van epidemieën de christenen het getroffen gebied niet ontvluchtten, maar bleven om de zieken bij te staan en de doden ordentelijk te begraven. Immers christenen zijn huns broeders hoeder en doodsangst is voor een christen niet nodig. Hoewel velen stierven, was de geboden elementaire zorg levensreddend. Ook het begraven van de doden perkte epidemieën in. Onbedoeld bijeffect: onder christenen werd immuniteit opgebouwd tegen bepaalde ziekten. Gevolg: minder sterfte onder christenen én toeloop van anderen.

Stark legt (op leesbare wijze!) nog veel meer moois bloot: over de motiverende kracht van het geloof in een angstige, wrede wereld en over de rol van martelaren. Zeer de moeite waard dus!

Rodney Stark: 'De eerste eeuwen' een sociologische visie op het ontstaan van het christendom, Ten Have, Baarn 1998 ISBN 90 259 4723 9

Apokriefen van het Nieuwe Testament, deel 1, vertaald ingeleid en toegelicht onder eindredactie van Dr A.F.J. Klijn, Kok Kampen 1984 ISBN 90-242-2864-6