Eten in de woestijn - twee verhalen

De evangelisten vertellen maar liefst zes verhalen over een wonderbare spijziging. Lukas en Johannes elk ťťn en MatteŁs en Marcus elk twee. Het motief van de spijziging is kennelijk veelzeggend voor het optreden van Jezus. In dit artikel ga ik in op de twee oudste: ze staan in Marcus 6 en 8.

In de woestijn

De verhalen spelen beide op een Ďwoestijnachtige plaatsí (Gr. erŤmon topon). Het zijn woestijnverhalen en daarbij denk je in dit verband natuurlijk al snel aan de verhalen over het manna. De vraag is natuurlijk waarom Marcus zo kort na elkaar twee bijna identieke verhalen vertelt. Hij is doorgaans sober in zijn woordkeus en hij herhaalt zich niet vaak. De verhalen verschillen echter in details van elkaar. Veelzeggend is allereerst, dat het eerste verhaal in Galilea speelt en het tweede in heidens gebied, in Decapolis. Beide keren komt Jezus in actie uit mededogen met een menigte die in de woestijn terecht is gekomen. Maar in het eerste verhaal staat, dat Hij geraakt wordt omdat de mensen zijn Ďals schapen zonder herderí (Mc 6, 34). De eerste menigte is dus een kudde, weliswaar een herderloze, maar toch een kudde. Gůds kudde. Want de term kudde wordt in de bijbel gereserveerd voor IsraŽl. Dat van die schapen staat niet in het tweede verhaal. De tweede menigte is geen kudde, geen volk van God. Dit wordt bevestigd door de opmerking van Jezus in het tweede verhaal, dat sommigen van verre zijn gekomen (Mc 8, 3). Met die uitdrukking worden zij aangeduid die ver af staan van het heil. Dat zijn natuurlijk allereerst de volkeren, zij die niet bij het volk van God horen. Een voorlopige eerste conclusie: in het eerste verhaal spijzigt Jezus IsraŽl, Gods volk, in het tweede voedt Hij de volkeren, de wereld van de heidenen. Dat wordt onderstreept door een ander opvallend verschil. In het eerste verhaal blijven twaalf korven brood over, in het tweede zeven manden. Ik denk dat het niet gewaagd is om te veronderstellen dat het getal twaalf verwijst naar de twaalf stammen van IsraŽl en het getal zeven naar de zeventig volkeren die de aarde volgens de Joodse overlevering bewonen.

Twee maaltijden

Het verhaal in Mc 6 zit vol verwijzingen naar Psalm 23. Het laat zich lezen als een soort spiegelverhaal bij de Psalm van de Goede Herder. Het 'dal van diepe duisternis' en de donker wordende woestijn - de 'grazige weiden' en het groene gras - het 'leiden in de rechte sporen' en het onderricht van Jezus - de 'dis' die wordt aangericht en de spijziging - 'Mij ontbreekt niets', en het royale overschot: Psalm 23 schijnt overal door het verhaal heen. In het tweede verhaal ontbreken de verwijzingen naar de Psalm. Marcus legt andere accenten. Jezus zegt over de tweede menigte dat zij al drie dagen bij Hem zijn. Deze menigte wordt dus gespijzigd op de derde dag. Dat is de dag van de opstanding, de zondag. De maaltijd lijkt een verwijzing naar het Avondmaal, dat gevierd wordt op de zondag, de opstandingsdag. Deze gedachte wordt versterkt door een ander detail. In het eerste verhaal zegent Jezus als Hij het brood breekt (Mc 6, 41). Hij spreekt dus de gebruikelijke Joodse zegenbede: ďGezegend zijt Gij, Eeuwige onze God, Koning der wereld, die het brood uit de aarde doet voortkomen.Ē In het tweede verhaal zegent Jezus niet, maar dankt Hij (Mc 8,6) - eucharistŤsas in het Grieks Ė je hoort er het woord eucharistie in, dat een aanduiding is voor het Avondmaal.

De leerlingen delen het brood uit en verzamelen het overschot

 

Herder van IsraŽl Ė Heer van de wereld

De veronderstelling dat het eerste spijzigingverhaal betrekking heeft op IsraŽl en het tweede op de volkerenwereld wordt bevestigd door het hoofdstuk dat tussen de twee verhalen in staat: dat vormt de schakel tussen beide verhalen. Hoofdstuk 7 is in zijn geheel gewijd aan de thematiek van de verhouding tussen IsraŽl en de volkeren. Het begint met een discussie over de rol en plaats van de Thora Ė in het Jodendom het kenmerkend eigene. Vervolgens speelt het deels in het Beloofde Land, deels in heidens gebied. Onderweg door Tyrus, Sidon en Decapolis ontdekt Jezus, dat zijn roeping de grenzen van Israel overstijgt. In heidens gebied bevrijdt Hij een meisje van een demon en haalt Hij een dove weg uit zijn isolement. De belangrijkste boodschap van dit tussenstuk is, dat het God uiteindelijk gaat om de hele wereld, om heel de mensheid. ”ůk in de verkiezing van IsraŽl gaat het om de volkeren. Die gedachte is niet pas door de komst van Jezus opgekomen, ook de grote profeten van IsraŽl kennen zulke wereldwijde perspectieven. Jezus, die in het eerste spijzigingsverhaal de belichaming is van de Herder van IsraŽl - die zijn volk voedt met manna in de woestijn, is in het tweede spijzigingsverhaal de Heer van de wereld, die heel de mensheid laat delen in een nieuw bestaan, in zijn eigen opstandingsleven. In Jezus wordt de brug geslagen, de mensheid geheeld: rond Hem worden allen verzadigd. De boodschap van het evangelie is helemaal in de sfeer van het visioen van Jesaja van de maaltijd voor alle volkeren (Jes 25, 6vv)

Vervolg

In wat volgt op de spijzigingsverhalen blijkt, dat de wereld waarin deze boodschap heeft geklonken toch trekken van de woestijn blijft vertonen. Marcus vertelt dat Jezus na de spijziging alleen komt te staan. Hij wordt op de proef gesteld door FarizeeŽn en Hij wordt omgeven door leerlingen die steeds weer blijken te vergeten dat er in zijn nabijheid reden is tot hoop en vertrouwen. En toch: de leerlingen hebben hun broden in de handen van Jezus gelegd; zij hebben zich door Hem laten inschakelen in het voeden van de wereld. Ondanks hun twijfel en hun ongeloof zijn zij werktuigen geweest in de hand van de Heer. Er is brood gebroken, de wereld heeft het brood des levens leren kennen, er is opstandingsleven uitgedeeld. En dat heeft voor het leven in de woestijn blijvende gevolgen. Toen en nu.