Feestvieren

Vriend, hoe zijt gij hier gekomen zonder bruiloftskleed? (Mattheüs 22: 12)

Het verhaal van het bruiloftsmaal wordt door de meeste leesroosters geflankeerd door het visioen uit Jesaja 25 van de maaltijd op de berg. In dit visioen zijn de volkeren niet langer tegen elkaar verdeeld, omdat God de sluier heeft weggenomen die er de oorzaak van was, dat mensen elkaar niet zien als mede­mensen maar als vijanden. Het verlangen hiernaar kleurt het verhaal van het bruiloftsmaal.

Het verhaal heeft overigens trekken van de gelijkenis van de verontschuldigingen uit Lukas 14. Het verlangen van Jesaja is kennelijk niet universeel: er zijn krachten die belang hebben bij verdeeldheid en vijandschap. Veel genodigden hebben andere prioriteiten. Gelukkig gaat het feest er wel om door. Als het niet kan met de eerst­ge­roepenen, dan maar met jan en alleman: met slechten en goeden, zegt de tekst.

Maar dan is er één man zónder bruiloftskleed. En het ging nu juist om het feest. De koning van het verhaal wil het bestaan tot een feest maken, de aarde tot beloofd land. Hij wil de mensen niet klein krijgen, maar groot maken. Hij wil dat de mensen daarom met Hem en om Hem feestvieren. Dát nu precies wei­gert die ene gast. Hij vindt het helemaal geen feest dat slechten en goeden zomaar bijeen zijn gezet.

Zit er geen spoor van gelijk in zijn weigering? Kan je maar zo feestvieren, terwijl voor zo velen het leven geen vreugde kent? Terwijl er zoveel onrecht en schuld is? Er zijn toch met reden kritische vragen te stellen als we om ons heen zien dat voor het aangezicht van de koning de één zich ziek eet en de ander ver­hongert? De gelij­kenis kan ook in dienst komen van een ideolo­gie die tegen­stellin­gen ver­sluiert. Die zegt dat alle mensen ‘eigenlijk’ gelijk zijn. En dat er dus geen wezenlijke tegenstellingen te overbruggen zijn tussen rijk en arm, tussen overvloed en tekort.

De gelijkenis heeft wel weet van slechten en goeden. De tegen­stelling wordt niet verbloemd door een schemerduis­ter waarin alle katjes grauw zijn, maar in een ander daglicht gesteld. Volgens het visioen van Jesaja worden mensen één als sluiers zijn weggenomen. Dat nu gebeurt in de gelijkenis. Slechten en goeden worden niet op één hoop geveegd, maar bij elkaar gezet op het ene feest. Het feest waarop daders en slachtof­fers elkaar recht in de ogen leren zien. Het feest waarop armen en rijken elkaar niet meer ontlo­pen, maar samen zijn. Het feest waarop mensen met verschillende posities elkaar ontmoeten op basis van gelijkheid. Het feest der herkenning van de naaste, het feest der erkenning van de ander.

Het is geen fuifje, zo'n feest. Er vallen verwijten en harde woor­den, er wordt uitge­legd en geredeneerd. En er wordt heel wat afgehuild en weggeslikt om alle gedane zaken en gemiste kan­sen. Dat is óók een kant aan het wegnemen van de sluier. Maar het is feest, omdat de verhoudingen zuiver worden, omdat pijn wordt uitgesproken en schuld jegens elkaar beleden. Het is een feest omdat de koning, door ons zo samen te brengen, ons aan elkaar schenkt als broeders en zusters. Het is een feest omdat het geen eindpunt is, maar een nieuw uitgangs­punt voor een nieuw samenleven.

Het verhaal wil verlangen wekken om in de gemeente Brood en Wijn te delen als voorsmaak én als oefening voor deze maaltijd van Gods toekomst. Een oefening in het elkaar recht in de ogen gaan zien, in het afleggen van sluiers en maskers.

ds Ynte de Groot