"Ik heb de Heer gezien" (Joh 20:18)

Geloven is een manier van kijken. Het is anders leren kijken naar de wereld. Het geloof zoekt God niet boven of buiten onze werkelijkheid, maar het geloof zoekt naar God juist in dit bestaan. In dit artikel wil ik met u kijken naar het Paasverhaal uit het vierde evangelie. Dat vertelt hoe twee mensen gaan geloven, anders naar het leven leren kijken. Het is het verhaal van een naamloze leerling, maar vooral van Maria uit Magdala.

Volgens de vierde evangelist is het nog donker als Maria uit Magdala aankomt in de graftuin. Volgens de andere evangelisten is de zon al op als vrouwen bij het graf komen, maar het vierde evangelie begint in het donker. Maria komt bij het graf en ziet niets dan leegte. Pas in de loop van het verhaal wordt die leegte voor haar gevuld en ziet zij de Heer. Dat andere kijken gaat niet als bij toverslag, maar stapje voor stapje. Dat is kenmerkend voor Johannes. Ook in b.v. de verhalen van de Samaritaanse vrouw bij de bron (Joh 4) en van de blindgeborene (Joh. 9) verdiept en verscherpt het inzicht in wie Jezus is zich in de loop van het verhaal. Johannes gebruikt in het Paasverhaal voor dat proces van ‘voortschrijdend inzicht’, drie verschillende werkwoorden voor zien, die een steeds intenser inzicht aanduiden1. Het eerste zien is dat wat de ogen doen: oppervlakkig zien wat voor de hand ligt. Het tweede werkwoord duidt een scherper kijken aan. Het laatste werkwoord gaat dieper: het kan ook 'inzien' of 'doorzien' betekenen, zelfs ervaren.

De eerst die leert zien is een naamloze leerling. Het is de door Jezus geliefde leerling. Hij vervult in het evangelie naar Johannes een bijzondere rol. Omdat hij geen naam heeft, kun je als lezer makkelijk je eigen naam invullen. Hij lijkt te staan voor de volgeling van Jezus van alle tijden. Hij komt als eerste bij het graf en doet hetzelfde als Maria deed: hij kijkt. Hij gaat het graf niet binnen, maar blijft op afstand. Pas als hij daarna dichterbij komt, als hij de confrontatie met de leegte aangaat, gaan hem de ogen open en komt hij tot geloof. Of beter gezegd: begint hij te geloven, want dat is wat er staat. Johannes vermeldt erbij dat deze leerling de Schrift niet kende. Tot op dat moment hadden al die verhalen van Israël voor hem weinig betekenis. Ze gingen over vroeger en ver weg. Maar nu leert hij de Schrift kennen: het verhaal van de bevrijding van Israël wordt zijn verhaal.

Ook bij Maria is de weg naar geloven een weg die stap voor stap gegaan wordt. In het begin ziet zij een open graf. De koude werkelijkheid van dood en geweld. Dit zien maakt haar intens verdrietig. Zij ziet meer als zij zich (net als die ene leerling) naar het graf toebuigt. Wanneer zij de ogen niet meer afwendt van de koude werkelijkheid, van de lelijkheid van het bestaan, maar de confrontatie ermee aangaat. Zij laat het duister van het graf op zich inwerken om er toch sporen van licht te ontdekken. Áls het in het geloof ergens over gaat, dan moet het hierover gaan: over dit donkere en onverteerbare. En Maria ziet in het duister twee boodschappers. Het is een eerste, voorlopig vermoeden, dat er méér is dan duisternis. Het is nog niet meer dan dat: troosten doet het haar niet. Zelfs als zij even later Jezus zelf aanziet ziet zij slechts een tuinman.

De omslag in het verhaal, de omkering van donker naar licht, van rouw naar vreugde, van niet zien naar geloven, van dood naar leven, wordt in gang gezet door het woord van Jezus. Als Hij Maria bij de naam noemt. Als zij wordt aangesproken en gekend. Dán ziet zij echt, dan doorziet zij, ervaart zij, dat de Heer bij haar is. Dat zijn woord sterker is dan de dood. Dat Hij de Levende is die haar bestaan nieuw aan het licht brengt. Op dat moment keert Maria het graf de rug toe. Zij kan het donker van de dood loslaten. Het is er nog wel, maar haar leven wordt er niet meer door beheerst. Er is nu ook besef van dat andere, van een woord dat werkelijk moed geeft, dat licht en leven brengt. Zij keert het graf de rug toe. Daar bij die koude steen, in de tuin van de dood heeft zij niets meer te zoeken. Zij gaat naar de andere leerlingen toe om te vertellen van haar zicht op Jezus. Zó koestert zij de ontmoeting met de Levende: door te vertellen wat het geloof voor haar betekent. Want het geheim van de Levende wil gedeeld worden met de levenden. Hij is niet te ontmoeten in koude, dode steen, maar in de ontmoeting met anderen. Zoals Huub Oosterhuis schreef2: Niet in het graf van voorbij, niet in een tempel van dromen hier in ons midden is Hij hier in de schaduw der hoop. Hier in dit stervend bestaan wordt Hij voor ons geloofwaardig worden wij mensen van God, liefde op leven en dood.

1 Voor de fijnproevers: blépoo, theooréoo en horáoo

2 Lied 321: 6 en 7