“Als je mij er maar buiten laat ..."

(in "Het rooie dorp"- uitgave van de PvdA Statenfractie Groningen, december 2007)

“Wil jij mijn begrafenis leiden?” vroeg de schilder Jo van Dijk me toen hij ziek werd. Hij woonde vlakbij en we waren bevriend geraakt: de anarchistische schilder en de dominee. “Jo, je weet dat ik dominee ben, dus dan wil ik wel uit de bijbel lezen.” Het was even stil. Toen zei Jo: “Als je mij er maar buiten laat!” Ik schoot in de lach en heb het hem beloofd. Ik zou van hem niet postuum een gelovige proberen te maken. Op zijn begrafenis heb ik een bijbelverhaal gelezen waarvan ik hoopte dat het de aanwezigen een beetje zou helpen om de draad weer op te pakken. Want dominees hebben nog altijd het meest verstand van de bijbel. Bijbelverhalen zijn hun gereedschap. Bovendien hoef je volgens mij helemaal niet gelovig te zijn om door de bijbel inspiratie op te doen of ontroerd te worden.

Jo was niet godsdienstig. Hij had met kerk en christendom niet zoveel op. Zijn geloof was aardser dan soms in de kerk te vinden is. En toch voelden wij ons op een bepaalde manier verwant. Zijn communistische heilsstaat en mijn koninkrijk van God leken ook wel veel op elkaar. En zijn heiligen - Ché Guevara, Ho Chi Min en Nelson Mandela - lijken op de mijne die Romero, Dom Helder Camara en Tutu heten.

Door die verwantschap voelt het ook niet heel vreemd om te schrijven voor deze kerstspecial van “Het rooie dorp”. Er zijn tal van dwarsverbanden tussen het christendom en de sociaaldemocratie, al vinden zowel kerkmensen als sociaaldemocraten het soms lastig om elkaar te begrijpen en met elkaar om te gaan. Die verwantschap zit denk ik in een bepaald verantwoordelijkheidsgevoel. Niet alleen voor het eigen wel en wee, of dat van de eigen familie of clan, maar ook voor dat van de hele samenleving. We vinden het oneerlijk als mensen onder het bestaansminimum leven; we willen de ogen niet sluiten voor daklozen en junks; we maken ons boos als ouderen ’s avonds niet meer veilig over straat durven – en we proberen die gevoelens om te zetten in daden, in politiek beleid.

Er komen in mijn kerk geen mensen omdat dat van iemand anders moet. Ze komen uit vrije wil. Sommigen komen om elkaar te ontmoeten, anderen komen vooral voor de rust. In de kerk ben je namelijk even afgezonderd van het leven van alledag: even geen TV of jengelende kinderen, even geen commercie. Nu kan je denken: “Ja ja, vroom zingen en bidden achter dikke muren… maar wat koopt de samenleving daar nu voor?”. Maar het zit anders. De rust leidt er namelijk toe dat mensen als ze weer buiten staan hun verantwoordelijkheid nemen en in actie komen, iets voor een ander doen. De kerk is in Nederland niet toevallig de grootste leverancier van vrijwilligers.

Lang duurt de rust voor de kerkganger dus niet. Na goed een uur sta je weer buiten en spoelt alles weer over je heen. Maar ook in de kerk ontkom je niet aan wat er buiten speelt. En dan bedoel ik niet eens dat we de meeste zondagen wel een ambulance van de nabijgelegen post horen langs loeien. De harde buitenwereld komt ook via de verhalen uit de bijbel binnen.

Neem nu het kerstverhaal – het wordt gelezen in de Kerstnachtdienst, voor veel mensen het religieus-romantisch uitje bij uitstek. Dan lezen en zingen we van engelen en herders en van een Kind dat is geboren. Prachtig. Maar het kerstverhaal begint zo: “In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af …”. Behoorlijk ontnuchterend. Zit je net wat rozig bij kaarslicht weg te schemeren, wordt je weer geconfronteerd met alles van daarbuiten: Augustus met zijn decreet, het ongastvrije Bethlehem: het is er allemaal. Bush en Musharaf, daklozen en illegalen – we ontkomen er in de kerk ook met Kerst niet aan. Het is een bewuste keuze van Lucas, de schrijver van het kerstverhaal. Hij wist natuurlijk dat godsdienst mensen ook in slaap kan sussen (opium en zo… dat hoef ik sociaaldemocraten niet uit te leggen). Daarom staat hij zijn lezers niet toe zich af te sluiten voor de werkelijkheid van presidenten en regeringsleiders.

Tegelijk hoopt Lucas dat zijn lezers zich ook niet blind zullen staren op de feiten. Hij wil zijn lezers anders naar de wereld laten kijken, zodat ze zich door al die macht niet laten intimideren. Hij wil hen deelgenoot maken van een andere geschiedenis, een tegenbeweging, die zich aan het voltrekken is. In het verborgene weliswaar, maar daarom niet minder reëel. Om die andere geschiedenis is het hem in zijn boek begonnen. Het is de geschiedenis van Jozef en Maria, van het Kind en de herders. Van gewone mensen die een stem hebben gehoord, een droom hebben gehad en die daardoor de passiviteit afleggen en in beweging komen.

Ook op dit punt zie ik verwachtschap tussen sociaaldemocraten en christenen. We sluiten de ogen niet voor de moeilijke kanten van de werkelijkheid, maar we weten dat we ons daar niet bij neer hoeven te leggen. We weten dat het anders kan en anders zal. Dat we niet moeten afwachten tot hoge Haagse dames en heren er iets aan doen, of tot God de problemen oplost, maar dat we zelf onze verantwoordelijkheid moeten nemen en in beweging moeten komen op de plaats waar we leven. Mij als christen stimuleren de verhalen van de bijbel daarbij enorm.

“Als je mij er maar buiten laat” bezwoer Jo van Dijk mij ooit. Dat heb ik gedaan: ik heb niet geprobeerd hem achteraf alsnog tot christen te bombarderen. Maar hij stond niet buiten de beweging die zich nog ergens druk over maakt. Die weet dat de samenleving niet iets is om de ogen voor te sluiten of buiten te blijven, maar om aan te werken.