Een kerk is heel wat waard

maar voor wie? en hoe?

Kerk in Stad 5 januari 2006

“Een kerk is heel wat waard” is het motto van de actie Kerkbalans 2006. Kerkgangers hebben het affiche met dit motto de afgelopen weken al op mededelingenborden in de diverse kerkgebouwen kunnen zien hangen. In de bijbehorende folder las ik het volgende: “Al eeuwenlang is de kerk een plaats van viering, inspiratie, ontmoeting en omzien naar elkaar. Kerkleden voelen zich op allerlei manieren betrokken bij hun kerk en het plaatselijke gemeentewerk. De plaatselijke kerk is hen veel waard.” Mooie woorden die mij persoonlijk wel aanspreken. De plaatselijke kerk is voor mij een krachtige inspiratiebron en ik voel me dan ook verbonden met - in mijn geval - de gemeenschap rond De Fontein, zoals die concreet tot uitdrukking komt in de kerkdiensten, de vele onderlinge ontmoetingen, het intensieve vrijwilligerswerk, het omzien naar elkaar.

Naast de plaatselijke gemeente is mij persoonlijk ook het instituut kerk dierbaar. Dus niet alleen plaatselijk, maar ook landelijk. Van deze liefde weet ik, dat ik bepaald niet representatief ben voor mijn generatie - ik ben van 1954 - óók niet voor die leeftijdsgenoten die zich nog wel met kerk en christelijk geloof verbonden voelen. Maar ik kan het niet helpen: bij mij is dat nu eenmaal zo gegroeid. Het instituut belichaamt en waarborgt voor mij de continuïteit naar zowel verleden als toekomst. Bovendien verbindt het me met de kerk wereldwijd. Door lid te zijn van de Protestantse Kerk in Nederland ben ik niet alleen verbonden met die concrete gemeente rond De Fontein, maar ook met het voor- en nageslacht. Én met christenen over de hele wereld. En dit laatste is voor mij geen symbolische of virtuele verbondenheid, maar een band die ik ook werkelijk ervaar in de ontmoeting met christenen van andere culturen en van andere tradities. Ik weet me dan (mét alle soms erg lastige verschillen die er natuurlijk zijn) verbonden door dezelfde Doop en door het geloof in dezelfde Heer. Momenten dat dit even ervaarbaar wordt - zoals in juni vorig jaar bij het bezoek van aartsbisschop Matta Roham uit Syrië - verrijken mijn eigen geloof en koester ik dan ook.

Maar ik weet dus dat ik op het punt van het instituut kerk dus misschien een buitenbeentje aan het worden ben. Iets anders is, dat ook het gevoel van verbondenheid met de plaatselijke gemeente voor veel gelovige mensen steeds minder vanzelfsprekend is. Iets dat daarmee samenhangt signaleerde het dagblad Trouw, daags voor kerst. Onder de titel: ‘Het christendom heeft nog altijd een boodschap om vol trots uit te dragen’ ging het hoofdredactioneel commentaar in op de geestelijke toestand van Nederland. Ons land is dóór en dóór geseculariseerd, maar de religiositeit is nog lang niet uitgebannen. En al gaat het de gevestigde, grote kerken getalsmatig niet voor de wind, het aantal overtuigde atheïsten in Nederland is klein en groeit nauwelijks. De groei in religiositeit zit onder de ‘ietsisten’ - zij die geloven dat er ‘ergens toch iets‘ moet zijn - en onder de mensen die je ‘soloreligieus’ kunt noemen. Zij zijn ‘religieus gevoelig’ en zoeken daar een hoogst individuele vorm voor. Trouw noemt ze ‘spirituele nomaden’: mensen die hongeren naar verhalen en rituelen om in het reine te komen met het bestaan. Het probleem is, dat het georganiseerde christendom (lees de kerken) hier niet goed raad mee weet en hardnekkig vasthoudt aan oude posities. Daardoor biedt het geen voedsel en onderdak aan wie geestelijk hongeren en dakloos zijn. Trouw betreurt dat, omdat de christelijke traditie wel een enorme spirituele rijkdom in huis heeft.

Dit commentaar zette me weer eens aan het denken over de verhouding tussen enerzijds kerk en christendom en anderzijds religie in het algemeen. Die twee liggen naar mijn overtuiging niet vanzelfsprekend in elkaars verlengde. Zonder nu gelovigen die zich niet of in afnemende mate met de kerk als gemeenschap verbonden voelen meteen als ‘ietsisten’ of ‘soloreligieuzen’ te bestempelen, zie ik onder de jongere generatie gelovigen wel overeenkomsten met de groepen die opnieuw of alsnog ‘aan zingeving gaan doen’. Kenmerkend is voor mij vooral de afwezigheid van wat ik maar een gelovig-dogmatisch kader noem. Veel mensen geloven niet meer in gemeenschap met anderen - b.v. wat de kerk hen aanreikt - maar zij geloven wat bij henzelf past. Uit het vele dat door de kerk, maar ook door anderen daarbuiten, wordt aangereikt aan beelden, woorden en vormen kiezen zij dat, wat past bij hun persoonlijke gelovige intuïtie en ervaring. Dat maakt dat zij per definitie een zekere afstand voelen en nemen tot de kerkelijke traditie. Die omvat immers altijd ook denkbeelden die niet bij ieder individu passen. En er horen geloofsvoorstellingen van vroeger bij die vandaag soms lastig te begrijpen zijn, laat staan na te voelen of te verinnerlijken. Daardoor stellen veel mensen éérst hun persoonlijk geloof samen en pas van daaruit bekijken zij of er een geloofsgemeenschap is die daarbij past, als zij daar überhaupt al behoefte aan hebben.

Geloof is dus een eenzaam gebeuren geworden. Vroeger had je veel geloofsvoorstellingen gemeenschappelijk. Je nam aan dat de dingen waren zoals de kerk het leerde - en als je dat niet deed hield je je mond er maar over om geen gezeur te krijgen. Dat nu is fundamenteel veranderd. De kerk is niet meer in de positie om geloofsvoorstellingen en -overtuigingen voor te schrijven. Voor de duidelijkheid: ik vind dat een grote verbetering. Maar mensen die zoeken naar verdieping, naar een zin in het bestaan, zijn hierdoor wel kwetsbaar geworden op hun zoektocht. Want het gaat bij geloven haast per definitie over dingen die jezelf te boven gaan, om twijfel en hoop, om geborgenheid en troost. Ik denk dat dit verklaart waarom de drempel van de kerk voor veel mensen zo hoog is. Velen willen wel (als publiek) kennis nemen van geloofstradities, maar in de liturgie (vooral die van de reformatie) wordt van de aanwezigen verwacht dat zij geen publiek zijn, maar medespelers in zang en gebed. Dat kan ‘beginners’ afschrikken. Met dit in gedachten besloten wij in De Fontein bij de voorbereiding van de afgelopen Kersnachtdienst om het roer om te gooien. Tot dan toe volgden we voornamelijk de klassieke liturgische vormen. Nu kozen we voor een meer volkse en laagdrempelige dienst. Met vooral veel bekende melodieën en weinig responsies. Zo hoopten we de ‘beginners’ - en dat waren er veel met Kerst - iets mee te geven zonder hen meteen in te lijven.

Al met al wil ik pleiten voor een laagdrempelig en informatief aanbod aan kerkelijke activiteiten naast de bestaande traditionele activiteiten. Zo ongeveer als mijn collega’s Jaap Goorhuis en Tiemo Meijlink laatst speels maar ernstig bedachten, toen ze op weg waren naar de kerstmarkt in Oldenburg (Kerk in Stad 16-12-05). Niet om zieltjes te winnen, maar om mensen te helpen bij hun persoonlijke spirituele zoektocht. De traditie waar de kerk van leeft is van zichzelf sterk genoeg om daar ontspannen en open mee om te kunnen gaan. We kunnen mensen serieus nemen in hun oprechte verlangen en iets voor hen betekenen op hun zoektocht. En bij wie merkt dat de kerk hun hoogst persoonlijke zoektocht respecteert, kan misschien vertrouwen groeien waardoor iets kwetsbaars als aarzelende spiritualiteit gedeeld kan worden. En wat zou het mooi zijn als daardoor de slogan “Een kerk is heel wat waard” door meer mensen dan nu onderschreven kan worden.