Kies mij! - over ambt en roeping

Op 27 februari zie ik op televisie de Groningse wethouder Tjerk Bruinsma campagne voeren in Vlaardingen. Zijn vrouw helpt mee. “Mijn man wil hier graag burgemeester worden” zegt ze tegen winkelende voorbijgangers in het centrum waar zij foldertjes uitdeelt. Bruinsma’s tegenstander in de verkiezingsstrijd is Rik Buddenberg, nu nog burgemeester van Sassenheim. We zien hem in een boekhandel een tijdschrift kopen. “Als ik hier als burgemeester gekozen word, wordt dit mijn boekwinkel” verzekert hij de man achter de toonbank. Ben ik ouderwets of ondemocratisch dat ik het een pijnlijke vertoning vind? Er is mogelijk best iets af te dingen op de procedures rond de benoeming van een burgemeester, maar is dit werkelijk een verbetering?

Als dit stukje gedrukt wordt zijn de stemmen geteld en heeft de bevolking van Vlaar­dingen een nieuwe burgemeester gekozen. Ik probeer me voor te stellen hoe het de verliezer dan vergaat. Stel, meneer Buddenberg is gekozen. Wat moet er dan worden van meneer Bruinsma? Terugkeren als wethouder in Groningen? Het elders nog eens proberen? (“Bruinsma? O ja, dat was die man die ze in Vlaardingen niet wilden hebben. Was daar soms iets mee?”). En als meneer Bruinsma is gekozen, zie ik in gedachten burgemeester Buddenberg schuchter terugkeren in Sassenheim. Bij de eerstvolgende discussie in College of Raad denkt iedereen: “Met Buddenberg hoef je geen rekening meer te houden, die wil hier toch weg!”

Los van de nadelige gevolgen die de verkiezing en de daarbij horende campagne kan hebben voor de betrokken kandidaten vind ik de procedure strijdig met de waardigheid van het ambt van burgemeester. De nieuwe procedure zal onvermijdelijk de inhoud van het ­ambt beïnvloeden. De burgemeester zal zijn onafhankelijke positie verliezen. Hij of zij staat niet meer boven de partijen en wordt daardoor minder geschikt om als samen­bin­dend figuur op te treden en zo nodig te bemiddelen. Ook de symboolfunctie van het ambt zal verbleken. Het ambt verpolitiekt erdoor en het jezelf op de borst kloppen, dat nu eenmaal bij een verkiezingscampagne hoort, maakt dat een burgemeester al bij voorbaat op het verkeerde been komt te staan.

Het ambt van burgemeester is niet te vergelijken met dat van predikant. Maar de laatste jaren zijn er in de procedures in het kerkelijk beroepingswerk ingrijpende veranderingen waar te nemen, die gaan in de richting waarin het met de verkiezing van de burge­mees­ter is gegaan. Vroeger werd een predikant door een vacante gemeente benaderd. Vanuit de gemeente waren namen van mogelijk geschikte kandidaten genoemd. En een landelijke commissie stuurde een lijstje met namen van mogelijk geschikte predikanten naar de vacante gemeente. Als predikant wist je meestal niet eens dat je naam voor een bepaalde vacature was genoemd. Er werd vanuit de vacante gemeente een eerste contact gelegd en daarna begon het: er werd gehoord, er vonden gesprekken plaats. En als e.e.a. bevredigend verliep werd er uiteindelijk een beroep uitgebracht. De predikant moest vervolgens beslissen en als hij het beroep aannam was de zaak rond. In orthodoxe gemeenten heeft lang het gebruik bestaan, dat als de predikant bedankte voor een beroep, hij de eerstvolgende zondag opnieuw aan zijn oude gemeente werd verbonden. Door het beroep te overwegen had hij immers innerlijk even afstand genomen van zijn gemeente.

Tegenwoordig gaat het vaak anders. Predikanten hoeven dan wel geen campagne te voeren om gekozen te worden, maar zij worden wel via advertenties opgeroepen om te solliciteren. Zij moeten dan opschrijven waarom zij menen de juiste persoon te zijn voor een bepaalde vacature. Wie beroepbaar wil worden als predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk moet verklaren ‘nimmer zijn toevlucht te hebben genomen of te zullen nemen tot enige gift of andere overeenkomst ter verkrijging te eniger plaatse van het ambt van dienaar des Woords’ (HKO 7-18-3). Burgemeester Buddenberg beloofde een boekhandelaar in Vlaardingen zijn toekomstige klandizie. Strikt genomen zou een predikant die zo’n belofte doet daarmee zijn ambtsbelofte al schenden. Een predikant die zichzelf in een sollicitatieprocedure moet ‘verkopen’ loopt het gevaar dat ook te doen. Ik doe er dan ook niet aan mee.

Ooit ben ik gebeld door de secretaris van een beroepingscommissie met de vraag of ik hun advertentie had gezien. Dat was inderdaad het geval. En of ik niet overwogen had te solliciteren. Ik kon de secretaris verzekeren dat dat niet het geval was. Of ik soms meende dat het niets voor mij was? Er waren gemeenteleden geweest die dachten dat ik daar heel goed op mijn plaats zou kunnen zijn. Ik heb toen uitgelegd dat ik met de procedure niet uit de voeten kan. Daarvoor heb ik een aantal redenen, die ik hieronder noem.

1. Het blijkt in de praktijk moeilijk om bij een beroepingsprocedure echte vertrouwelijkheid in acht te nemen. Vaak zijn er (te) veel personen bij betrokken en een geheim bewaren is voor veel mensen nu eenmaal erg moeilijk. in de ‘oude’ procedure (gelukkig zijn er nog steeds gemeenten die hem volgen!) was het geen drama als de naam van een predikant met wie contacten waren naar buiten kwam. Het initiatief tot het contact lag immers bij de vacante gemeente? Tegenwoordig kan het een kleine ramp worden als een naam naar buiten komt. De huidige gemeente van de predikant beseft dan dat dominee zelf heeft gesolliciteerd en vraagt zich af: is hij soms op ons uitgekeken? En als het contact níet tot een beroep leidt: is zij nog wel gemotiveerd om hier te werken?

2. Als er meerdere sollicitanten zijn kan de procedure erg langdurig worden. Het meeste beroepingswerk wordt door vrijwilligers gedaan. Dat is een pré. Het feit dat gewone gemeenteleden een doorslaggevende rol spelen weegt op tegen het gebrek aan ervaring met selectieprocedures. Maar als er veel brieven binnenkomen kan het maanden duren voordat er met alle reflectanten gesprekken zijn gevoerd, is gescreend en ‘gehoord’. Voor alle betrokkenen een onaangenaam lange periode van onzekerheid.

3. Inhoudelijk – en dit is mogelijk het meest subjectieve deel van mijn verhaal - vind ik het grootste bezwaar dat het ambt niets iets is waarnaar je solliciteert, maar waartoe je geroepen wordt. Het klinkt misschien zwaarwichtig, maar zo voel ik het toch. Natuurlijk is dominee zijn gewoon een vak en een predikant moet niet ergens werken waar hij of zij zich niet thuis voelt. Maar als in het beroepingswerk de predikant het initiatief moet nemen is het gevaar groot dat hij of zij meer oog krijgt voor de eigen carrière, dan voor wat nodig is voor een gemeente. In het ‘oude’ systeem kon je in contact komen met een gemeente waarnaar je nooit zou hebben gesolliciteerd, maar die een appél op je doet, dat je als een werkelijke roeping kan ervaren.

4. Vanuit de gemeente gezien vind ik het voornaamste bezwaar, dat de gemeente het initiatief tot het contact uit handen geeft. Zij benadert niet actief mogelijk geschikte kandidaten, maar moet maar afwachten wie zich melden. Het is helemaal niet denkbeeldig dat een predikant die zeer op zijn plaats zou kunnen zijn niet op een advertentie reageert omdat hij b.v. de streek waar de gemeente ligt niet kent. Daar komt bij dat bij de beroepingscommissie steeds de vraag knaagt: wil de sollicitant graag hier komen of wil hij of zij vooral weg van de huidige standplaats? Door dit alles dreigt de blikrichting te verschuiven van de behoeften van de vacante gemeente naar die van de predikant. En daarmee is de Kerk niet gediend.

Groningen, 28 februari 2002