Twee Paasverhalen

‘Het’ Paasevangelie bestaat niet, evenmin als ‘het’ Kerstevangelie bestaat. Net zoals Mattheüs en Lucas elk op hun heel eigen wijze berichten over de geboorte van Jezus, zo vertelen de vier evangelisten elk hun eigen verhaal over het lege graf. Die verhalen vertonen wel overeenkomsten, maar wijken op beslissende punten van elkaar af. Zo zijn de ‘spelers’ in elk evangelie anders. Zowel zij die het graf van Jezus bezoeken, als zij die het bericht brengen dat Jezus daar niet te vinden is, zijn in elk evangelie weer anders.

De verschillen tussen de evangeliën zijn natuurlijk al vroeg opgevallen. Aanvankelijk probeerde men ze met elkaar in overeenstemming te brengen. Ongeveer zoals veel kinderbijbels dat nog steeds doen. Rond 160n.Chr. stelde Tatianus het Diatessaron (“door vier heen”) samen. Het is een compilatie van de vier evangeliën die de bedoeling had de afzonderlijke geschriften te vervangen. Hoewel het - vooral in het Oosterse Christendom - erg populair was, werd het door de kerk al snel afgewezen. Het gezag van de afzonderlijke evangeliën was inmiddels te groot om er afstand van te kunnen doen.

Ik ben daar blij om, want juist in hun verscheidenheid hebben de evangeliën veel te bieden. Elke evangelist probeert de tradities over Jezus die hij tot zijn beschikking had zo te verwerken, dat zijn lezers erdoor geraakt, gebouwd en bemoedigd worden. En dat doen de evangeliën nog steeds. Om dit te illustreren wil ik de Paasverhalen van Marcus en Lucas op een paar details nader bekijken.

De jongeman van Marcus

Het evangelie naar Marcus eindigt merkwaardig. Drie vrouwen bezoeken het graf van Jezus om Hem te balsemen en krijgen bij het graf te horen dat Hij is opgewekt. Daarop vluchten zij door angst bevangen weg en houden tegenover iedereen hun mond. Dit abrupte slot van het verhaal heeft mensen al vroeg dwars gezeten en er werden naderhand dan ook verschillende toevoegingen geschreven. Twee ervan zijn terug te vinden in de NBV.

Ik ga ervan uit dat Marcus zijn verhaal opzettelijk zo plotseling eindigt. Hij schreef zijn evangelie voor een gemeente die wist, dat het niet gebleven was bij vrees en verzwijgen. Het bestaan van die gemeente zelf was immers het bewijs dat toch is verkondigt dat Jezus de Levende Heer is. Maar hoe kon dat, gezien het feit dat de vrouwen zwegen? De sleutel ligt denk ik in twee passages uit het passieverhaal. Zij spelen in Getsemane. De eerste passage: ‘Jullie zullen allemaal ten val komen, want er staat geschreven: “Ik zal de herder doden, en de schapen zullen uiteengedreven worden.”Maar nadat ik uit de dood ben opgewekt, zal ik jullie voorgaan naar Galilea’.i

Na de dood van Jezus is er zoiets als een gemeente ontstaan, omdat de 'uiteengedreven schapen', de gevluchte leerlingen, naderhand Jezus als levende Heer hebben ervaren. Zij hebben Hem op nieuwe wijze ontmoet. Daarbij werd de schaamte om hun eerdere vlucht overwonnen door een vergevende liefde en nabijheid. Zij werden erdoor tot nieuwe mensen, een nieuwe gemeenschap tussen de andere mensen in. Die ervaring heeft Marcus naar mijn overtuiging verwerkt in zijn evangelie. Dat leid ik af uit een tweede passage, die alleen bij Marcus te vinden is. Hij is wat raadselachtig Jezus is juist gearresteerd. Dan vertelt Marcus: 'Toen lieten allen hem in de steek en vluchtten weg. Een jongeman, die alleen een linnen kleed aanhad, probeerde bij hem te blijven, maar toen ook hij werd vastgegrepen, liet hij het kleed in hun handen achter en vluchtte naakt weg.' ii

Deze anonieme jongeman wordt in het evangelie naar Marcus tweemaal genoemd. iii De eerste keer als hij naakt en beschaamd de vlucht neemt. Hij laat zijn linnen kleed in de hof achter. Als Jezus is gestorven wordt zijn lichaam in net zo’n kleed gewikkeld. iv De tweede keer ontmoeten we de jongeman in het Paasevangelie. Dan zit hij in een wit gewaad aan de rechterzijde in het graf. Dit witte gewaad komt verder in het NT slechts voor in het boek Openbaring. In de visioenen van Johannes wordt het gedragen door de martelaren onder het altaar en door ‘de schare die niemand tellen kon’ voor de troon van God en het Lam. v Dus hij die in Getsemane naakt de benen nam verkondigt nu, gekleed in een wit overwinningsgewaad, de Opstanding.

Ik zie hem als de verpersoonlijking van de uiteengedreven schapen, die tot gemeente werden. De beschaamde wegloper heeft het ‘doodskleed afgeworpen’ en is uit zijn ‘zondengraf getreden’ vi. Hij is nieuw geboren, bekleed met het witte gewaad van de dopeling. Juist hij die geleerd heeft wat vergeving is, wordt tot verkondiger van het Paasevangelie. Zo is die jongeman het beeld van de gemeente, van allen die bij de Doop bekleed zijn met het witte gewaad van de nieuwe mens, omstraald door het vergevende licht van de opstanding.

De twee mannen van Lucas

Lucas volgt een heel ander spoor. Hij kende en gebruikte het evangelie naar Marcus, maar vervangt in zijn Paasverhaal de jongeman bij het graf door twee mannen in blinkende gewaden.vii Die twee mannen treffen we bij Lucas in totaal driemaal aan. Eerder waren zij verschenen in het verhaal van de verheerlijking op de berg viii. Het waren Mozes en Elia, de verpersoonlijking van Wet en Profeten. Zij spraken toen over de Exodus die Jezus in Jeruzalem zou volbrengen. De weg van Jezus wordt door Lucas daarmee getypeerd als de weg die Israël in de Exodus ging: door het water heen op weg naar beloofd land. Zo gaat Jezus de weg van de Schriften.

Lucas suggereert dat bij het lege graf opnieuw Mozes en Elia verschijnen. Voor Lucas is het getuigenis van Wet en Profeten kennelijk wezenlijk voor het verstaan van de dood en opstanding van Jezus. Dat blijkt ook in de verschijningsverhalen die Lucas vertelt.

‘Hebt u dan zo weinig verstand en bent u zo traag van begrip dat u niet gelooft in alles wat de profeten gezegd hebben? Moest de Messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?’ Daarna verklaarde hij hun wat er in al de Schriften over hem geschreven stond, en hij begon bij Mozes en de Profeten. (…) ‘Toen ik nog bij jullie was, heb ik tegen jullie gezegd dat alles wat in de Wet van Mozes, bij de Profeten en in de Psalmen over mij geschreven staat in vervulling moest gaan.’ Daarop maakte hij hun verstand ontvankelijk voor het begrijpen van de Schriften. ix

Mozes en Elia, Wet en Profeten, de twee van wie de Schriften vertellen dat van hen geen graf gevonden is op aarde, zij getuigen ervan dat ook Jezus niet in het graf te vinden is. Dat Hij de Levende is en dat zijn woord met Hem leeft en klinkt. Met dit aan de Schrift ontsproten getuigenis keren de vrouwen het graf de rug toe om de boodschap, dat Jezus de Levende is, door te geven.

De leerlingen van het eerste uur hebben nog een weg te gaan voor zij die boodschap verstaan. Want het getuigenis van de vrouwen “vonden zij maar kletspraat en zij geloofden hen niet"x meldt Lucas. Hun hart moet nog voor de Schriften worden geopend. Pas na het verhaal van de hemelvaart lijkt het te lukken. Dan verschijnen voor de derde en laatste maal die twee mannen in hun blinkende gewaad. xi. Zij zeggen: "Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken?". Dat hun heil en toekomst niet in het dodenrijk ligt hadden ze inmiddels begrepen. Dat zij hun hart ook niet in de hemel moeten hebben, maar op de aarde die beloofd land moet worden, dat maakt het getuigenis van Mozes en Elia hen duidelijk. En prompt begint Petrus dan ook in zijn preken de Schriften uit te leggen met het oog op Jezus. xii

Marcus en Lucas leggen in hun Paasevangelie elk eigen accenten. Er zijn er nog meer aan te wijzen dan in dit bestek mogelijk is, maar er tekent zich al wel iets af. Voor Marcus is de gemeente de draagster en verkondigster van het Paasevangelie. Bij Lucas is de Schrift van Israël doorslaggevend voor het Paasgeloof. Persoonlijk zou ik geen van beide boodschappen willen missen. Van Lucas leer ik dat ons geloof telkens weer gevoed en verdiept kan worden door de Schrift. Van Marcus leer ik van de kracht die kan liggen in het getuigenis van de gemeente die telkens weer geraakt wordt door de levende Heer. Ze kunnen elkaar niet missen: Schrift en getuigenis, bijbel en kerk, Woord en Geest.

Noten

 

i Marcus 14: 27

ii Marcus 14: 51v

iii neaniskos – dit woord komt bij Marcus alleen in de twee besproken passages voor.

iv Marcus 15: 46 – het woord sindoon komt bij Marcus alleen in de twee genoemde passages voor.

v stolèn leukèn - Openbaring 6: 11 en 7: 9v

vi Gezang 221: 2

vii Het woord esthèti dat Lucas voor hun kleding gebruikt komt in het NT zelden voor. Lucas gebruikt het ook voor het gewaad dat Herodes Jezus aandoet om Hem te bespotten (Lucas 23: 11)

viii Lucas 9: 30

ix Lucas 24: 25v en 44v

x Lucas 24: 11

xi Handelingen 1: 10

xii Handelingen 2:14-40 en 3: 12-26