ER GAAT EEN DOMINEE VOORBIJ

- de wijkpredikant in het pastoraat tussen vermaan, hulpverlening en gemeenteopbouw

door ds Ynte C. de Groot

Het Rapport van de structuurcommissie S.O.W. Groningen-stad van afgelopen voorjaar beveelt o.m. aan het aantal predikantsplaatsen in vier jaar tijd terug te brengen van 11,3 naar 7. Dat dwingt predikanten, kerkenraden en wijkgemeenten opnieuw na te denken over de manier waarop predikantswerk vorm krijgt. Dit artikel wil een bijdrage zijn aan het gesprek over de rol van de predikant in het pastoraat.

Huisbezoek

Toen ik als predikant werd bevestigd in mijn eerste gemeente kreeg ik het boek 'Schetsen uit de pastorie te Mastland - ernst en luim uit het leven van de Nederlandse dorpsleraar'. Een bundel verhalen uit 1843 van C.E. van Koetsveld (1807-1893), gemeentepredikant en hofprediker van koning Willem III. Eén van de schetsen gaat over het huisbezoek. Een fragment:

'Zeg eens, mijn beste vriend -vraagt een jonge predikant aan een oudere collega- hoe moet ik toch huisbezoek doen?'

'Wel geheel op uw eigen manier, zoals uw hart het u ingeeft.'

'Maar ik heb er nog geen manier op, en mijn hart geeft mij volstrekt niets in, dan dat ik oneindig liever thuis bleef'

'Kom aan dan. Gij gaat met uwe ouderling huis aan huis, daar er bij u geen roomsgezinden zijn; gij vraagt naar de bewoners: wie lidmaten zijn, nodigt gij aan het avondmaal, mits zij dat in een waardige stemming wensen te vieren. Verder schikt gij u naar de omstandigheden. Ziedaar alles!'

'Alles? Dus ik heb alleen dezelfde boodschap van huis tot huis rond te dragen, en van vijf tot vijf minuten te herhalen?'

'Ja, en daarbij nog een weinig op uw woorden toe te zien, dat de achterdocht van onze tijd[1] er geen venijn uit zuige. Bij onbekende of verdachte leden is een algemene formule best; zelfs kan het tussenbeide geen kwaad, dat men u niet recht versta.[2]

Pastoraal vermaan

Er zijn diverse opvattingen over de vraag wat pastoraat is. De titel van dit verhaal refereert aan tijden dat de predikant als leedaanzegger optrad. En in de ondertitel staan een paar sleutelwoorden op een rij. Het fragment van Van Koetsveld staat -met de nodige ironie- stevig in de calvinistische traditie, die pastoraat ziet als woordbediening, verkondiging, nauw verbonden met tucht en vermaan. Tot de 50er jaren van de vorige eeuw was dit de gangbare visie in Nederlandse protestantse theologie en zo bepalend dat Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal (1984) huisbezoek definieert als 'bezoek aan huis om enig onderzoek in te stellen; bezoek dat een predikant of pastoor aan de leden van zijn gemeente of parochie brengt (de predikant m.n. om hen tot deelneming aan het Avondmaal op te wekken)'.

Helpend gesprek

Vanaf de 50er jaren groeit de aandacht voor psychologie en psychotherapie ook in de kerk. De opvatting dat pastoraat in het kader van de verkondiging thuishoort wordt beleefd als te autoritair, teveel van bovenaf, en raakt op de achtergrond. Vanuit Amerika komt de 'pastoral counseling' in de belangstelling: pastoraat als 'helpend gesprek', dat eraan poogt bij te dragen dat mensen zichzelf leren verstaan in het licht van het evangelie. Daarbij heeft de pastor de taak om als gesprekspartner het gemeentelid tot zelfverheldering te laten komen. Daardoor komt er meer aandacht voor de persoon van de pastor. Hij of zij mag immers geen stoorzender zijn in het gesprek en moet dus allereerst zichzelf goed kennen en zich bewust zijn van zijn/haar eigen remmingen en spanningen. In de zogenaamde Klinisch Pastorale Vorming worden pastores in deze stijl gevormd tot geestelijke hulpverleners met een therapeutische inslag.

Spanning

Het feit dat het 'oude' huisbezoek werd ingeruild voor pastoraat als helpend gesprek leidt in veel gemeenten tot een zekere spanning. Als gemeenteleden teleurgesteld opmerken, dat de predikant vroeger zeker eenmaal per jaar bij alle gemeenteleden op bezoek kwam hebben zij gelijk. Maar dat huisbezoek van vroeger stond in het teken van de viering van het Avondmaal en had het karakter van vermaan en tucht. Slechts weinigen zien -als zij eerlijk zijn- met heimwee terug op díe bezoeken.

Wat gemeenteleden, denk ik, stilletjes hopen is, dat het huisbezoek van de predikant de frequentie zal hebben van het oude huisbezoek, maar het karakter van het helpende gesprek. Aan die verwachtingen kan vrijwel geen predikant voldoen. Immers een echt gesprek kost tijd. De pastor zal oor moeten hebben voor de individuele situatie van elk gemeentelid en niet kunnen volstaan met 'dezelfde boodschap van huis tot huis rond te dragen, en van vijf tot vijf minuten te herhalen' zoals dat in de tijd van Van Koetsveld ging.

Pastoraat nu: gemeenteopbouw ….

Als het op het moment al zo is dat de predikant niet met enige regelmaat bij alle gemeen­te­leden op bezoek kan gaan, dan zal dat in de toekomst -als het aantal predikanten in Groningen terugloopt van ruim elf naar zeven- nog sterker gelden. Ik meen dan ook dat de toekomstige rol van de gemeentepredikant in het pastoraat tweeledig zal moeten zijn.

Enerzijds zal de predikant er, samen met de hele kerkenraad, aan moeten bijdragen dat de gemeente een pastorale structuur heeft. De gemeenteleden moeten worden toegerust tot het onderling oog en oor hebben voor elkaar. Daarbij denk ik minder aan het trainen van ouderlingen en bezoekbroeders en -zusters dan aan het opzetten van b.v. zelfhulp­groepen voor rouwverwerking, eetgroepen en telefooncirkels voor ouderen en alleen­gaan­den, of contactmiddagen voor gemeenteleden die in een sociaal isolement dreigen te raken. Mijn stelling is daarbij, dat de kerk de problemen van ziekte, verdriet en een­zaamheid niet kan oplossen. De kerk kan wel mensen stimuleren en samenbrengen om elkaar nabij te zijn.

… en incidentele hulp

Anderzijds zal de predikant in beperkte (!) mate zelf gesprekken voeren met gemeente­leden die in bijzondere omstandigheden verkeren: ernstige ziekte, relatieproblemen, rouwverwerking. De rol van de predikant zal er daarbij meer in bestaan dat hij/zij gemeenteleden met problemen de weg wijst naar de reguliere geestelijke gezondheids­zorg en naar in of buiten de gemeente bestaande zelfhulpgroepen, dan dat de predikant zelf als hulpverlener of zelfs als therapeut optreedt. Bezoeken rond huwelijksjubilea e.d. zitten er denk ik helemaal niet meer in.

Naast het werk van de gemeentepredikant is er het meer gespecialiseerde pastorale werk zoals b.v. in zieken- en verzorgingshuizen, het studenten-, justitie- en drugspastoraat. Dit werk heeft zijn eigen bestaansrecht én financiering.

Uitvaarten

Een punt apart lijkt me de rol van de predikant bij uitvaarten. De wijkgemeente rond De Fontein wordt, mede door de aanwezigheid van een aantal verzorgingshuizen in haar gebied, geconfronteerd met 50 á 60 sterfgevallen per jaar. Bij veel van deze uitvaarten wordt de wijkpredikant gevraagd een uitvaartplechtigheid of rouwdienst te leiden. Dat betekent een werkbelasting van ten minste 20% van een volledige predikantsplaats. Het leiden van uitvaarten is belangrijk en nuttig werk, ook al staat het opmerkelijk genoeg niet in de ambtsopdracht van de predikant. Maar de vraag dringt zich in toenemende mate op of het verantwoord is zo'n beslag te leggen op de steeds schaarser wordende tijd van de wijkpredikant. Ligt hier geen taak voor gemeenteleden of vrijgestelden op HBO niveau?

 

--------------------------------------------------------------------------------

[1] Het is de tijd van de Afscheiding

[2] Veen, Wageningen 1978, blz 86v