Het roer moet om! maar wat is nu echt de basis van het geloof?

Kerk in Stad januari 2009

Het roer moet om, stelde dr Eginhard Meijering: de kerken moeten terugkeren naar de basis van het geloof: Gods genade in Jezus Christus. ,,Houd op over maatschappelijke betrokkenheid, wees weer kerk!” Zo ongeveer werd de inzet van Meijering in het debat over kerk zijn in de samenleving van nu in Kerk in Stad samengevat. “Meer en meer ben ik gaan inzien dat het in de kerk gaat om de openbaring van God in Jezus Christus. Dáárover moet het in de kerk gaan - en niet over allerlei bijzaken zoals maatschappelijke relevantie, sociale gerechtigheid, medemenselijkheid of de overeenkomsten met andere religies.”

Bepaalde gedachten in het betoog van Meijering spreken mij zeer aan. Evenals hij ben ik niet zo geneigd om de overeenkomsten tussen de uiteenlopende religies te benadrukken, al heb ik daarvoor vermoedelijk andere gronden dan hij. Welke overeenkomsten er ook te vinden zijn, een wezenskenmerk van het christendom is naar mijn overtuiging juist de gerichtheid op het welzijn van alle mensen en die zie ik bij andere godsdiensten niet op dezelfde universele wijze terug. Het is naar mijn overtuiging een unique selling point van het Christelijk geloof, dat onze samenleving diepgaand heeft beïnvloed – misschien wel zo sterk dat het door velen niet meer als specifiek christelijk wordt herkend. Dat is een punt waar de kerk inderdaad duidelijker zou moeten opkomen voor haar eigen geschiedenis en inbreng in onze cultuur. Ook het donkere mensbeeld van Meijering onderschrijf ik voor een deel. Een optimistische prediking die stelt dat het Koninkrijk van God wel aan zal breken als we allemaal een beetje beter ons best doen zult u van mij niet horen. Daarvoor is het bestaan te weerbarstig. De verkondiging van Gods genade in Jezus Christus is wezenlijk voor het christelijk geloof. Het stelt christenen in de ruimte om tegen alle doemdenken in getroost te leven en te sterven. Maar het opent vooral de weg om te leven in de navolging van Christus.

Maar op een aantal belangrijke punten gaan de meningen van Meijering en mij toch uiteen. Het gaat daarbij vooral over het opkomen voor sociale gerechtigheid en medemenselijkheid. “De aandacht voor dit soort zaken is dominant geweest in de kerken sinds de jaren zestig. En dat is rampzalig.” Meijering meent dat de kerk het niet meer over dergelijke ‘bijzaken’ zou moeten hebben. Ik verschil hier met hem zowel historisch gezien als inhoudelijk van mening. Hoewel het zeker waar is, dat de aandacht voor sociaal-maatschappelijke vragen in de jaren zestig van de vorige eeuw herleefde – en vast ook niet altijd op evenwichtige wijze - durf ik de stelling aan dat deze aandacht juist in de begintijd van het christendom een wezenlijk onderdeel was van de kerkelijke verkondiging en praktijk. Deze aandacht werd niet gezien als bijzaak, maar als behorend bij het hart van het christelijk geloof. Ik zal proberen dat aan de hand van drie voorbeelden uiteen te zetten.

I - Rodney Stark: Gelijkheid, eerbied voor het leven en ziekenzorg als groeifactoren

In 1996 schreef de Amerikaanse socioloog en godsdienstwetenschapper Rodney Stark het boek “The Rise of Christianity” (vertaald als: “De eerste eeuwen”). In eerdere studies had hij religieuze bewegingen in de Verenigde Staten bestudeerd. Daarbij had hij bepaalde patronen blootgelegd volgens welke sekten ontstaan en groeien. In “The Rise of Christianity” vergelijkt hij deze patronen met gegevens uit het begin van de kerkgeschiedenis. Stark noemt een aantal factoren, die hebben bijgedragen aan de snelle verspreiding van het christendom: de positie van de vrouw, de eerbied voor het leven en de ziekenzorg. Ik loop ze even kort langs. De relatief goede en gelijkwaardige positie van de vrouw in de vroege kerk was een factor van betekenis bij de snelle groei van het christendom. De klassieke wereld was een mannencultuur. Het huwelijk stond laag in aanzien en áls er getrouwd werd bleven gezinnen klein. Ongewenste kinderen (meisjes dus) werden na de geboorte gedood of te vondeling gelegd. Ook was er een verbreide, riskante abortuspraktijk - die veel vrouwen het leven kostte of onvruchtbaar maakte. De kerk wees kindermoord en abortus af. Daardoor was de vruchtbaarheid onder christenen veel groter. Dit alleen al zorgde voor sterke groei. Een andere belangrijke oorzaak van de groei ziet Stark erin, dat bij het uitbreken van epidemieën de christenen het getroffen gebied niet ontvluchtten, maar bleven om de zieken bij te staan en de doden ordentelijk te begraven. Immers christenen zijn huns broeders hoeder en doodsangst is voor een christen niet nodig. Hoewel velen stierven, was de geboden elementaire zorg levensreddend. Ook het begraven van de doden perkte epidemieën in. Onbedoeld bijeffect: onder christenen werd immuniteit opgebouwd tegen bepaalde ziekten. Gevolg: minder sterfte onder christenen én toeloop van anderen.

II - Julianus de Apostata: doe als de christenen en zorg goed voor de mensen!

De Romeinse keizer Julianus, bijgenaamd Apostata (“de Afvallige”) werd keizer kort na Constantijn de Grote (360-363). Hij was opgevoed als Christen, maar werd in het geheim aanhanger van het neoplatonisme terwijl hij zich naar de buitenwereld toe als een christen bleef gedragen. Zodra hij keizer werd legde hij beperkingen op aan de christenen. Hij wilde de oude eredienst voor de Romeinse goden in ere herstellen en liet daartoe heidense tempels restaureren en herbouwen en probeerde het priesterschap naar christelijk voorbeeld te reorganiseren en moreel te verheffen. In een advies aan het locale (heidense) bestuur schrijft hij dat het verstandig is om de christenen de wind uit de zeilen te nemen door hun belangrijkste kenmerk over te nemen: de zorg voor zieken en armen. De christenen hadden namelijk een grote aantrekkingskracht onder de bevolking juist door hun sterke sociale praktijk.

III - Matta Roham: werken aan sociale gerechtigheid als wezenskenmerk van de kerk.

 Meijering gaat ook uit van de vooronderstelling, dat de in de jaren zestig (her)levende kerkelijke belangstelling voor de samenleving een typisch Nederlands gegeven is. Ook hier verschil ik met hem van mening. Ter illustratie een passage uit het dagboek dat ik bijhield tijdens mijn studieverlof in 1999 toen ik voor het eerst in Syrië was. Ik bracht er een bezoek aan het meest Noordoostelijk gelegen bisdom rond de steden Qamishli en Hassakeh. “Christenen vormen hier een minderheid van zo’n dertig procent van de bevolking. Niet het armste deel, maar zeker ook niet het rijkste. Mijn gastheer, aartsbisschop Matta Roham laat mij rondleiden. Naar een klooster in aanbouw, dat als vormingscentrum dienst zal gaan doen en naar nog een aantal andere bijzondere projecten. Een kerkelijke school bij voorbeeld, waar de kinderen niet alleen worden onderwezen in het Syriac – de gekoesterde taal van Jezus – en in de liturgische traditie van de kerk, maar waar zij ook Engels leren (heel bijzonder in dit Arabische land) en waar zij leren de geheimen van het gebruik van de computer te doorgronden. Ik was ook onder de indruk van het bezoek aan een naaischool. Niet voor opgroeiende burgermeisjes, maar voor volwassen vrouwen. Die werken namelijk in de zomer op het land en zitten in de winter, als de akkers er kaal bijliggen in afwachting van water en warmte, noodgedwongen werkloos thuis. De naaischool doorbreekt niet alleen hun sociale isolement, maar rust hen ook toe om een meer zelfstandig en welvarend bestaan op te bouwen. Later ontdek ik nog, dat de kerk ook bezig is met de bouw van een verzorgingshuis voor ouderen. De zorg voor ouderen is weliswaar een verantwoordelijkheid van de familie, maar als er geen familie is moet toch iemand voor hulpbehoevende mensen zorgen. Als ik de aartsbisschop vraag hoe het mogelijk is dat de kerk – die ook in Syrië toch waarachtig wel met grote problemen wordt geconfronteerd – middelen en energie vrij kan maken voor deze sociaal-diaconale projecten reageert hij verbaasd. “Een kerk zonder diaconaat is geen kerk.” is zijn glasheldere boodschap. Dergelijke activiteiten zijn geen luxe of bijzaak in het kerkelijk leven, maar horen bij het wezen van het christelijk geloof.”

Er is nog een reden waarom ik niet onder de indruk ben van de kritiek van Meijering op de maatschappelijke betrokkenheid van de kerk. In de zeer christelijke Verenigde Staten ligt met name bij de Evangelicals een grote nadruk op een prediking die ook Meijering als ik hem goed begrijp bepleit: de verzoening met God in Jezus Christus, zonder daarbij de sociaal-maatschappelijke implicaties van meet af aan voluit mee te nemen. Ik geef toe, het is wat kort door de bocht gesteld, maar ik zou de stelling wel durven verdedigen, dat deze beperkte evangelicale prediking mee aan de wieg heeft gestaan van de ongebreidelde neoconservatieve politiek waarvan de wereld nu de wrange economische vruchten plukt