Het jawoord van de gemeente bij de doop

ds Ynte de Groot

In veel gemeenten is het gebruik geworden om bij de doop van een kind niet alleen een vraag aan de ouders te stellen, maar ook aan de gemeente als geheel. Een deel van de kerkgangers is daar blij mee: het is fijn om een nieuw mensenkind en een nieuw lid van de gemeente actief te mogen verwelkomen. Maar bij een deel van de kerkgangers roept het vragen op. Want wat zeg je eigenlijk met je jawoord? Zeg of beloof je iets dat je ook waar kunt maken? Soms ken je de ouders en het kind maar nauwelijks. Hieronder ga ik in op de achtergronden van het ja van de gemeente.

Doop en geloof

Je laten dopen is een daad van geloof. Als in het Nieuwe Testament over de doop gesproken wordt, is verondersteld dat de dopeling vóór de doop tot geloof is gekomen (vgl. Hand 8, 37 en 11, 17). In de liturgie rond de doop van de drie grote christelijke tradities (Rooms Katholiek, Orthodox en Reformatorisch) wordt het geloof dan ook beleden en klinkt op één of andere manier de Apostolische geloofsbelijdenis. Nu is er voor kerken die de kinderdoop praktiseren - en dat doen de drie grote christelijke tradities - een probleem. Want een zuigeling is niet in staat het geloof te belijden. De uiteenlopende tradities hebben dan ook wegen gezocht en gevonden om bij de kinderdoop het verband tussen geloof en doop toch te handhaven.

Doopgetuigen

In de Orthodoxe Kerken, de Rooms Katholieke Kerk en sommige protestantse kerken als de Lutherse, koos men voor de doopgetuige(n). Een peter en/of meter beantwoordt de doopvragen die eigenlijk aan het kind gesteld zouden moeten worden en belijdt daarmee plaatsbekledend het geloof.

In de Calvinistische traditie legde men liever het accent op het Verbond. Krachtens Gods genade kunnen ook onmondige kinderen gedoopt worden, immers Gods beloften gelden ook voor hen. Daarnaast is tegelijk het element van de doopgetuigen een rol blijven spelen. Opmerkelijk in dit verband is de voorwaarde die in de Gereformeerde Kerken aan ouders die een kind ten doop willen houden werd (wordt?) gesteld: zij moeten belijdende leden van de kerk zijn. Daarmee lijkt impliciet gezegd te worden dat zij als leden van de gemeente plaatsvervangend voor hun kinderen het geloof belijden.

In het midden van de gemeente

Maar er zijn in de Calvinistische traditie méér doopgetuigen dan de ouders alleen. Immers in Calvinistische kerken wordt de doop in het midden van de gemeente bediend. Daarmee wordt de gemeente als geheel feitelijk én principieel tot doop­getuige.

Door de doop worden mensen ingelijfd in het lichaam van Christus (I Kor. 12, 13). De gemeente aanvaardt door haar tegenwoordigheid een zekere verantwoordelijkheid voor wie gedoopt is. Bij de doop wordt de gemeente eraan herinnerd dat zij één lichaam is en dat de leden geroepen zijn tot wederzijdse dienstbaarheid in gehoorzaamheid aan Christus. Wanneer een kind gedoopt wordt staat de gemeente met de ouders als doopgetuige rond het doopvont. Samen belijden zij het geloof. Wanneer aan de ouders na de doop gevraagd wordt om het kind voortaan als gedoopte te ontvangen en te begeleiden op de weg van Christus, is de gemeente in deze verantwoordelijkheid mee betrokken. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door een vraag aan de ouders én één aan de gemeente.

In de praktijk

De vraag waar sommigen mee zitten is hoe die medeverantwoordelijkheid in de praktijk gestalte kan krijgen. Want als je de ouders en het kind niet goed kent - en laten we eerlijk zijn: in sommige gevallen ook een hele tijd na de doop niet meer ontmoet - lijkt dat wel heel lastig. Maar ook aan ouders die je geregeld wel ziet kun je je toch moeilijk opdringen met goedbedoelde raad over de geloofsopvoeding! In de praktijk lijkt er van die medeverantwoordelijkheid dus niet veel terecht te komen.

Maar ik denk ook niet dat het jawoord van de gemeente zo individueel moet worden opgevat. Als gemeente ja zeggen bij de doop van een kind betekent: aanvaarden dat kinderen er volwaardig bij horen. Een gemeente die ja zegt tegen de doop van een kind is gehouden ervoor te zorgen dat er in de gemeente een klimaat heerst, waarin het fijn is om als kind op te groeien. Dat er goede voorzieningen zijn als kinderoppas, kinderneven­dienst en catechese. Ja zeggen betekent je beschikbaar stellen voor deze onderdelen van het kerkelijk werk. Hoe ouders gestalte geven aan hún verantwoordelijkheid voor hun doopbelofte is een zaak van hun eigen geweten. Het ja van de gemeente is breder: het kleurt als het goed is het leven van de gemeente als geheel.