De toekomst in het Nieuwe Testament

Kerk in Stad oktober 2007

De predikanten van de stad hebben zich bij hun jaarlijkse studiedagen dit jaar gericht op de vragen van de “laatste dingen”. Immers het christelijk geloof leeft met een toekomstverwachting. Anders dan religies die het bestaande willen verklaren of bevestigen, is het christendom gericht op toekomst, verandering en voltooiing. Daarmee sluit het christendom aan bij verwachtingen in het jodendom, want de verwachting van het aanbreken van een nieuwe tijd is niet pas in het christendom ontstaan. Ook het jodendom kent en kende stromingen die leven in de verwachting van de 'Dag des Heren' die een totale ommekeer zal betekenen, een breuk in de geschiedenis. Nu is de christelijke toekomstverwachting in de loop der tijden nogal eens veranderd, zowel van vorm als van inhoud. Al binnen het Nieuwe Testament zijn die veranderingen waar te nemen. Er verliep een jaar of vijftig tussen het schrijven van de oudste en de jongste stukken van het Nieuwe Testament en de ontwikkeling van de gedachten gingen snel in deze jaren. Over deze ontwikkelingen binnen het Nieuwe Testament gaat dit artikel.

De wortels De wortels van de christelijke toekomstverwachting liggen dus in het jodendom. Op de optimistische tijd van wederopbouw na de Babylonische ballingschap, volgden jaren van buitenlandse overheersing. Dat leidde hier en daar tot de overtuiging dat de bestaande mensenwereld en wereldgeschiedenis zijn einde naderde: God zal deze vergankelijke en onvolmaakte werkelijkheid vervangen door een 'nieuwe eeuw', die gekenmerkt wordt door eeuwigheid en volmaaktheid. Er zal een breuk komen met het bestaande. De geschiedenis zal ophouden. In het Oude Testament is het boek Daniël (165 v. Chr.) het duidelijkste voorbeeld van deze gedachten. Het boek geeft een overzicht van de perioden waarin de geschiedenis naar het einde zal snellen. Dat einde wordt verwacht in het nu van de schrijver.

De eerste jaren De vroege kerk nam veel gedachten en motieven van deze joodse apocalyptiek over en bewerkte die. In de eerste jaren na het optreden van Jezus verwachtte de kerk dat de Heer zeer spoedig zou wederkomen en dat er daarmee een einde zou komen aan het huidige 'tijdsgewricht' Deze verwachting van de parousie van Christus (letterlijk: ‘aanwezigheid’ of ‘komst’, meestal vertaald met ‘wederkomst’) werd in het begin getekend in beelden die in het jodendom gangbaar waren. In de brieven van Paulus zijn van daarvan de oudste voorbeelden te vinden. Zo staat in 1 Thes. 4 : 16 v (geschreven rond 50 n. Chr.) "Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen worden weggevoerd op de wolken en gaan we de Heer in de lucht tegemoet. Dan zullen we altijd bij hem zijn." Opmerkelijk is het noemen van 'wij, de levenden'. Paulus gaat er kennelijk van uit, dat dit Grote Gebeuren zich nog tijdens zijn aardse leven zal afspelen. Ook in de evangeliën, die veel later geschreven werden, zijn sporen te vinden van de verwachting van een spoedige komst van Christus. Een voorbeeld daarvan staat in Mattheüs 16: 28 "Ik verzeker jullie: sommigen van de hier aanwezigen zullen niet sterven voor ze de komst van de Mensenzoon en zijn koninklijke heerschappij hebben meegemaakt."

Het oponthoud Naarmate de tijd verstreek en de komst van de Heer uitbleef, kon men met het beeld van de spoedige komst steeds slechter uit de voeten. De teleurstelling moet enorm zijn geweest. Toch wil men het geloof in de toekomst niet prijsgeven. Langzamerhand ontstaat de overtuiging dat er eerst in een bepaalde volgorde allerlei dingen moeten gebeuren voor de 'Dag des Heren' kan aanbreken. In 2 Thess. 2 wordt b.v. verteld dat er voor de komst van Christus eerst veel gelovigen afvallig moeten worden en dat eerst de 'grote tegenstander' moet optreden. Ook de in de evangeliën bewaard gebleven apocalyptische gedeelten uit deze periode (ze staan in Markus 13, Mattheüs 24 en Lukas 21) beschrijven een soort draaiboek, volgens welke de Grote Dingen zich zullen afspelen. Men gebruikt in deze tijd steeds meer beelden uit de Joodse apocalyptiek. Daarin was de gedachte van elkaar opvolgende perioden in de geschiedenis gangbaar. In de gedeelten van het Nieuwe Testament die in deze periode vorm krijgen is het motto voor de gemeente intussen: Waakzaam zijn en volharden. Mattheüs laat daartoe op de "Rede over de laatste dingen" (in hoofdstuk 24) de gelijkenissen van de wijze en de dwaze meisjes en van de talenten volgen.

Toch nog? Soms leeft de verwachting van de spoedige komst weer op. Vooral in tijden van vervolgingen en maatschappelijke spanningen, maar ook op breukvlakken in de cultuur. De Openbaring van Johannes is van dit oplevend verlangen het bekendste voorbeeld. Het geschrift verkondigt dat de heerschappij van de Heer, die in de hemelse wereld al is opgericht, zich ook op aarde zeker zal doorzetten. De macht van Satan is al gebroken, want hij is al uit de hemel gestoten. (Openb.12:9). Ook in later eeuwen, tot in onze tijd toe, zijn er groepen die opnieuw een spoedige (weder)komst verwachten.

Hierna Terwijl de tot nu toe geschilderde christelijke toekomstverwachting vooral betrekking heeft op de geschiedenis, gooit een andere groep geschriften het over een heel andere boeg. Het betreft apocriefe openbaringen. Deze geschriften waren wel populair, maar hebben om allerlei redenen het Nieuwe Testament niet 'gehaald'. In deze geschriften verschuift de aandacht van de toekomst van het Rijk van God, naar een hemel en een hel als de plaatsen waar afzonderlijke mensen na hun dood terecht komen. De wereld wordt als het ware opgegeven: het aardse tranendal is de plaats waar je leeft om te proberen later in de hemel te komen.

Deze lijn van toekomstverwachting is nauwelijks in de bijbel terecht gekomen. Toch leven deze gedachten binnen (maar ook buiten) het christendom sterk. Een nadeel van deze lijn van denken is, dat de solidariteit met cultuur en geschiedenis en die met de medemens op de achtergrond dreigt te raken.

"Straks" wordt "nu": ‘al wel’ én ‘nog niet’ Er is in het Nieuwe Testament nog een heel andere lijn zicht baar. Namelijk de gedachte dat de toekomst al in ons leven nu gestalte krijgt. Deze lijn wordt vooral zichtbaar in het evangelie naar Johannes. Het 'eeuwig leven' waarvan in dit evangelie sprake is, begint in het hier en nu. Ook hier ligt geen hoofdaccent op de wereldgeschiedenis. In de geschilderde toekomst is nauwelijks oog voor de wereld of voor de mensheid. De verwachting heeft individualistische trekken. Ook in de brieven van Paulus (Kolossenzen, Efeziërs) is een vergelijkbare verschuiving te zien. Bijvoorbeeld in de manier waarop gesproken wordt over de opstanding van de gelovigen. Volgens Paulus' brief aan de Romeinen (hoofdstuk 6) is onze opstanding iets dat zich in de toekomst zal afspelen. Wanneer wij met Christus zijn gestorven, geloven we dat we ook met hem zullen leven. (Rom. 6, 8). Maar latere brieven gaan ervan uit, dat in de Doop de opstanding met Christus al is geschied. Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is. U bent immers gestorven, en uw leven ligt met Christus verborgen in God. (Kol. 3:1,3; zie ook Ef.2:1,5).

Kiezen? Ik kan eerlijk gezegd geen voorkeur uitspreken voor één van de geschilderde hoofdlijnen. Elk model van toekomstverwachting dat we in het Nieuwe Testament tegenkomen heeft zijn sterke en zijn zwakke kanten. * De verwachting van een spoedige komst van de Heer benadrukt de ernst van het appèl dat van het evangelie uitgaat. Maar wie houdt deze verwachting nog vol na ruim 2000 jaar? * Het tweede model, dat van het oponthoud, dreigt ertoe te leiden dat we onze dagen vullen met het gespannen letten op de 'tekenen der tijden'. De kracht van dit model zit er natuurlijk in, dat we ons voortdurend bezighouden met de wereld. Maar het gevaar is groot dat we meer kijken naar de wereld dan er onze (gelovige) inbreng in hebben. * Het model van het "hiernamaals" is nauwelijks bijbels te noemen, maar vooral te vinden in na en buitenbijbelse geschriften. De bezwaren tegen dit model zijn misschien wat samen te vatten met het woord "heilsegoisme". Anderzijds kan er ook troost van uitgaan. * De kracht van het laatste model, dat van de toekomst die in het geloof al is aangebroken, zit in de directheid ervan: het door het evangelie beloofde heil kan regelrecht gestalte krijgen in verhoudingen en situaties van nu. Anderzijds dreigt het heil in dit model wat schimmig te worden. Want stel dat we niet kunnen ervaren dat we in Christus nieuwe mensen zijn, waar gaat het dan nog over in het evangelie?

Het is denk ik niet voor niets dat de kerk bij het samenstellen van het Nieuwe Testament de verschillende modellen naast elkaar heeft laten staan. Niet uit besluiteloosheid, maar omdat je in het geloof altijd minstens met twee woorden moet spreken: de waarheid van het geloof is veelkleuriger dan in één gedachte is uit te drukken.