Vragen en doen

Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten? (Mattheüs 11, 3)

Sinds jaar en dag klinkt in de Adventstijd de vraag van Johannes. Geïnspireerd door de visioenen van Jesaja had Johannes fel gepreekt. "Iede­re boom die geen goede vruchten voortbrengt wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen". Nu zit hij gevangen en het brengt hem in verwarring. Want hij hoort van de werken van de Christus, maar de grote omwenteling is met de komst van Jezus niet gekomen.

Zijn vraag was in elk geval de vraag van de gemeente van Mattheüs. Want de weder­komst van Jezus bleef uit en het gewone leven - dat zo vaak de trekken van de balling­schap draagt - leek zijn loop te hebben hernomen. Jezus zal wel over­winnaar zijn, maar wat is er sinds zijn overwinning nu helemaal veranderd? Ook nu is die vraag te stellen. Wat er ooit rond Jezus gebeurde leek misschien wel op wat Jesaja droomde, maar zijn komst heeft niet de radicale verandering gebracht die Jesaja verwachtte en waarvan Johannes en in zijn spoor de gemeente droomde.

"Zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt." zegt Jezus veelzeggend. Gelukkig ben je als je je ge­loof niet verliest door wat er rond Jezus niet gebeurt. Als je het geloof niet kwijtraakt wanneer je merkt dat de weg die God gaat tot op de dag van vandaag een aangevochten weg is. Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan en gewelde­naars grijpen ernaar – heet het in vers 12 (althans in de Statenvertaling, het NBG vertaalt hier triomfalistisch).

De episode eindigt met een spreuk: "De wijsheid is gerecht­vaar­digd op grond van haar werken." Bijbelse wijsheid heeft niet te maken met slimheid of intelligentie, maar met een houding. Wijs is die levens­houding die werkelijk rekent met God en zijn toekomst. Een levenshouding die ondanks alle aarzeling zijn uitgangs­punt neemt in de dromen van God levert iets óp en zet iets in beweging. Zij wordt gerecht­vaardigd op grond van haar werken. Want deze levenshouding krijgt al doende gelijk. Jezus legt zijn hoorders de keus voor: als een ver­on­ge­lijkt kind mokkend terzijde gaan zitten - omdat de werkelijkheid weerbarstig is en de mensen hard - óf als een volwassen gelovige mee­doen met de werken van Christus. Wie dat laatste doet kan ontdekken dat de dromen van Gods toekomst geen zoethoudertjes zijn. Die zal de kracht van die dromen gaandeweg ervaren.

Een hoofdstuk eerder schreef Mattheüs ook over de werken waarvan Johannes hoorde. De discipelen - bij Mattheüs staan zij model voor de gemeente - kregen de opdracht om diezelfde werken te doen. "Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit" had Jezus hen opgedragen. Biedt nieuw perspectief aan wie het slachtoffer zijn van de kwade willekeur van het leven.

Johannes was in verwarring. Hij verwachtte dat op een dag Gods koninkrijk als een nieuwe toestand zou aanbreken. Wat wij kunnen leren is, dat Gods Rijk geen toestand is, maar een activiteit van bezielde gelovigen, een beweging in de geschiedenis. Er gebeuren dingen die naar Gods wil zijn, er worden werken gedaan waarin God ­regeert. Er wórden werken gedaan waarin de hoop op Gods toekomst overtuigend doorstraalt.

Ik droom van een kerk die de werken van Gods Koninkrijk doet. Die in alle eenvoud, haar eigen onwil en ongeloof ten spijt, zichtbaar maakt dat God soms daad­werke­lijk regeert, dat de aarde soms even paradijs wordt in menselijke daden en dat God van zijn vrede en liefde uitdeelt ook door onze handen.

ds Ynte de Groot