Vruchtdragen

Toen nu de tijd der vruchten naderde zond hij zijn slaven naar die pachters om zijn vruchten in ontvangst te nemen. (Mattheüs 21: 34)

In deze tijd van het jaar komen in de kerk thema’s rond de oogst aan de orde. Ook in overdrachtelijke zin: over de vraag wat Gods bemoeienis met de men­sen oplevert aan liefde, menselijkheid en recht. Van de gelijkenis word je niet vrolijk. De boeren die de wijngaard in bezit hebben willen niet van de oogst afstaan.

Toen synagoge en kerk van elkaar vervreemd waren geraakt identificeerde de kerk deze pachters met Israël en zag in de gelijkenis een grond voor de vervangings­theologie: de gedachte dat de beloften die God deed aan Israël zijn overgegaan op de kerk. Grote delen van de christenheid leven in deze overtuiging. Zij brengt echter onover­ko­me­lijke problemen met zich mee. Allereerst het probleem van de geschiedenis: de rede­nering legde het fundament onder eeuwen christelijke jodenhaat en -vervolging. Ik vrees dat de kerk dit verleden nog maar nauwelijks onder ogen durft zien, laat staan dat zij het achter zich zou hebben gelaten.

Het andere probleem is dat het mes van de redenering aan twee kanten snijdt. De kerk roept ermee namelijk meteen het oordeel over zichzelf af. Want het gaat haar natuurlijk geen steek beter af dan Israël. Net als de pachters in de gelijkenis houdt zij de opbrengst van de wijngaard veelal voor zichzelf. Kijk maar naar een doorsnee kerkelijke gemeente. Wat levert haar bestaan op voor het dorp of de stad waarin zij leeft? Is zij inspirerend en aan­stekelijk, ontlenen anderen nieuwe hoop aan haar? Of steken de leden alle energie in zichzélf - in het zoeken naar onderlinge eenheid, naar geborgenheid en troost?

Wees eerlijk: als het waar zou zijn dat God zijn wijngaard aan ande­ren gaf omdat hij met Israël te weinig opbracht, dan had ook de kerk inmiddels haar langste tijd gehad, dan zou God allang uitzien naar nieuwe dragers van de belofte.

Het is dan ook ánders gegaan dan in de gelijkenis gezegd wordt. De profeten werden verworpen, de Zoon werd vermoord, maar Gód handelde anders dan de heer in de gelijkenis: Hij bracht de pachters níet om. Wie de Schriften leest ziet daarin geen god die het bijltje er - toornig of ten einde raad - bij neergooit, maar een hartstochtelijke God die trouw blijft aan zijn visioen: de aarde nieuw! Die daar ook bij blijft als het Hem in eigen vlees snijdt. Met de dood van de Zoon wás zijn geduld niet op en zijn droom niet voorbij. De Zoon is de Levende gebleken en tot toetssteen gemaakt. "De steen die de bouwlieden afgekeurd hadden deze is tot een hoeksteen geworden." Aan deze toetssteen wordt het gehalte gemeten van de vrucht die de wijngaard opbrengt. Aan Hem wordt het mens-zijn gemeten.

Maar wat me raakt is, dat ook God zélf zich aan deze toetssteen meet. God laat zichzélf gezeggen door het beeld van de Zoon. De God waar de Schriften van spreken krijgt steeds meer de trekken van de mens die wij in Jezus ontmoeten. Daarom heeft niet de grimmige heer uit de gelijkenis het laatste woord, maar de genadige Heer, de God van Israël, die wij 'heidenen' in Jezus hebben leren kennen. En déze God hoopt vurig dat ook wij gaandeweg meer en meer zullen groeien in het beeld van de Zoon. In Hem zijn ook wij - samen met Israël, de eerstgeborene - geroepen om in Gods wijngaard te leven en te werken. Om te doen wat Hij deed: vrucht dragen voor de wereld om ons heen.

ds Ynte de Groot