Wachten in het donker

En vijf van haar waren dwaas en vijf waren wijs (Mattheüs 25: 2)

Een gelijkenis over hoe de gemeente wacht op haar Heer. Een verhaal in de nacht. Daarmee is de werkelijkheid van de gemeente gekarakteriseerd. Alle liederen ten spijt van de duisternis die wijkt voor het licht. Het is nacht en het donker is niet voorbij, ook niet voor wie geloven. Niet voor niets roept de Gemeente keer op keer: Kyrie eleison! En zij verzucht: Heer, hoe lang nog?

Alle meisjes in het verhaal rekenen op de komst van de bruidegom. Maar de dwaze meisjes denken kennelijk dat hij spoedig zal komen en hebben maar voor korte tijd olie. Zij hopen vurig op verandering … maar hun licht houdt het niet vol. Het is niet opgewassen tegen de teleurstelling en de tegenslag.

Ook de wijze meisjes zien uit naar de komst van de bruidegom. Hun verwachting heeft kennelijk wél uithoudingsvermogen. Zij weten: geloven is een kwestie van lange adem; het kwaad is taai en de structuren van de nacht zijn weerbarstig.

Het verschil tussen de twee houdingen zit in de meegebrachte olie. Gezien de context gaat het denk ik om datgene wat de Heer ons heeft toevertrouwd. Dat is voor ieder mens weer anders. De olie is een beeld van de ervaringen van God in je leven. Daardoor is de olie ook de brandstof, waardoor je in de nacht wat licht kunt brengen, iets uit kunt stralen. De waakzaamheid waartoe het evangelie telkens oproept heeft denk ik te maken met het koesteren en paraat houden van je geloofservaringen. Persoonlijk , maar ook als gemeente.

Gelukkig bedoelt het verhaal niet dat gelovigen geen oog dicht mogen doen. Alle meisjes vallen in slaap. Dat geeft niet. Gelovigen hoeven niet uitgeput te raken van het geloof, als zij maar wel genoeg olie bij zich hebben: zijn toegerust met wat zij ooit van God hebben erva­ren, met wat ze van Hem hebben begrepen, zijn gaan vermoeden en hopen. Zoals dat liedje van vroeger het heel simpel zei: "Tel uw zegeningen één voor één."

De gelijkenis is voor ons natuurlijk ánders actueel dan in de tijd van Mattheüs. Wij hoeven er niet meer op gewezen worden dat de komst van de bruidegom een kwestie is van lange adem. Wij lopen meer het tegenovergestel­de gevaar, namelijk dat wij een te gedul­dige houding aannemen. Waardoor we denken: wij koesteren ons lichtje wel - 'gij in uw klein hoekje en ik in 't mijn' - wij schermen ons lichtje wel af tegen de kille wind van het bestaan - wij sluiten ons gewoon af van de stormen die in deze donkere wereld kunnen woeden - dan zal het onze tijd allemaal wel duren.

Ik denk dat het verhaal duidelijk maakt dat er van ons toch iets méér verwacht wordt. We kunnen ook iets uitstralen van onze verwachting. Het blijft natuurlijk allemaal aanvecht­baar en kwetsbaar. Al die symbolen en gebaren - al die olie waarmee we het geheim van Gods liefde proberen uit te beelden en vast te houden. Het zijn kaarsjes, die maar zo worden uitgeblazen, het is een beetje doopwater, een klein stukje brood en een slokje wijn, het zijn verhalen van lang geleden.

Maar het is juist niet déze brandstof die ons helpt onthouden: weet je nog hoe God bij ons is geweest? Zo zál Hij ook bij ons zijn. Zo kan de gemeente volhouden. En daarbij zelfs zo af en toe een beetje licht verspreiden

ds Ynte de Groot