Wederopstanding des vlezes

Als zondags de geloofsbelijdenis gezongen wordt, zingt niet iedere kerkganger alles mee. Sommigen stemmen wel in grote lijnen in met "het geloof van alle tijden en plaatsen", maar hebben met onderdelen ervan moeite. Ik vind dat wel iets hebben: zo blijven we in de kerk verscheiden, zelfs bij het zingen van woorden die ons met elkaar en het voorgeslacht verbinden. Ik begrijp het ook wel een beetje. Het is soms teveel gevraagd om over alle twijfel heen te stappen en 'ja' te zeggen tegen zo'n heel pakket.

Persoonlijk ga ik er wat anders mee om. Al komt niet elke regel die ik zing even diep uit mijn hart, ik wil wel wonen in het huis van het geloof. Ongeveer zoals Hans Blankesteijn eens schreef: "Er is ook nog zoiets als de erfenis van je voorgeslacht aanvaarden, al weet je niet direct met elk stuk uit de boedel iets te beginnen."

Een regel waarbij nogal eens iemand zijn mond dichthoudt is die over de "weder­opstanding des vlezes". Bij een term als 'eeuwig leven' kunnen we ons soms nog wel iets voorstellen, maar de gedachte van de opstanding van het vlees gaat velen het voorstellingsvermogen - en in het kielzog daarvan ook het geloof - te boven. De regel staat vrij aan het eind van het Credo in de trits: "vergeving der zonden; wederopstanding des vlezes; en een eeuwig leven." Op het eerste gezicht wat restjes geloof die óók nog een plaatsje moesten hebben, maar er zit systeem in. De geloofsbelijdenis is trinitarisch van opbouw. Het begint met God als de Vader, die als Schepper wordt beleden. Daarna gaat het over God als de Zoon, de Verlosser en Bevrijder. Het derde deel gaat over God als de Heilige Geest. De kant van God die gericht is op contact met de mensen. De Geest is als het ware de mond en het oor waarmee God met mensen wil verkeren. Want het hoort wezenlijk bij de God van Israël dat Hij niet ergens in zijn eentje God zit te wezen, maar dat Hij iets heeft met de wereld en de mensen. Hij heeft geen andere geschiedenis dan die Hij met ons mensen maakt. De Heilige Geest is de kant van God die in het heden naar die voortgaande geschiedenis toegewend is. Die elke dag mensen roept om mee te gaan of te blijven doen aan de heilsgeschiedenis die Hij begonnen is.

In het deel nu dat handelt over de Heilige Geest staat de trits: vergeving - weder­opstanding - eeuwig leven. Dat zijn dus geen zaken die pas actueel worden aan het eind der tijden of na de dood, maar thema's die in het heden, in de voort­gaande geschiedenis van God met de mensen, een rol willen spelen. De thema's vergeving, opstanding en eeuwig leven hangen nauw met elkaar samen: omdat wij in Christus geen slaven zijn van zonde en schuld, kunnen wij opstaan uit ons doodse bestaan en leven met de Eeuwige.

Bij de 'vergeving der zonden' vinden we deze gedachtengang niet vreemd. "Vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven onze schuldenaren" bidden we in het 'Onze Vader'. De bede raakt ons leven hier en nu: wij mogen nu van vergeving leven als vergevingsgezinde mensen.

 

Ook bij 'eeuwig leven' denken we tegenwoordig niet meer uitsluitend aan iets als een hiernamaals. Wie probeert te leven met de Eeuwige beseft dat het 'eeuwig leven' daarmee al begonnen is. Immers "Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen ..." (Joh 17: 3).

Om de een of andere reden is echter in onze beleving de middelste van de drie thema's, de 'wederopstanding des vlezes', weggeschoven tot buiten de geschiede­nis. We neigen ertoe om het heil dat God voor de mensen in de zin heeft te ver­geestelijken tot hemelse zaligheid. Ten onrechte, naar mijn gevoel. En erg bijbels is het ook niet. Als het in de Schriften gaat over een toekomst voor de mens, dan gaat het altijd over de hele mens. Dat wat de Heer ons gunt gaat niet alleen over een stukje van ons, dat dan 'ziel' zou heten, maar om ons hele bestaan, met huid en haar. Onze lichamelijkheid is daarbij niet iets van de tweede rang. Zij hoort bij ons wezen, bij wat wij ten diepste zijn. Wij mensen hebben niet alleen een lichaam, wij zijn ook ons lichaam.

De "wederopstanding des vlezes" gaat daarom naar mijn gevoel niet over 'leven na de dood'. Verlossing is niet iets geestelijks (althans op zijn minst niet alléén), maar iets concreets, iets aards. Israël heeft dat altijd benadrukt en Gods trouw gezien in concrete, aardse gebeurtenissen. Primair natuurlijk in de bevrijding uit Egypte. Maar ook in het optreden van Richters en konin­gen. En in de terugkeer uit de ballingschap en de herbouw van de tempel. De profeet Ezechiël stelde de terugkeer uit de Ballingschap voor als een 'wederopstanding des vlezes' in het visioen van het dal van de dorre doodsbeenderen (Ez. 37).

Ook de kerk heeft de 'aardse lijn' nooit geheel uit het oog verloren. De Reformatie in de Nederlanden herkende in de ondergang van de Spaanse Armada 'Gods adem' en in het einde van de tachtigjarige oorlog Gods trouw.

In de twintigste eeuw was de 'aardse lijn' vooral terug te vinden in verschillende vormen van bevrijdingstheologie. Mensen vonden in de belijdenis van de "wederopstanding des vlezes" de inspiratie om op te staan, in opstand te komen, boeien te verbreken en voor zichzelf en elkaar op te komen, terwijl zij nog 'in het vlees' zijn.

Tegenwoordig zijn deze vormen van theologiseren weer naar de achtergrond verdwenen. Maar wat in de kerk gelukkig hardnekkig is gebleven, is het geloof dat het ongelofelijke gebeuren kan: dat er gerechtigheid zal zijn en vrede, dat de "armsten van de mensen zullen juichen in de Heilige Israëls" omdat het "gedaan is met de gewelde­naar" (Jes. 29: 19-20). Dit geloof krijgt stem waar gemeenten hun diakonale roeping verstaan, als mensen opkomen voor wie in de knel raken. Bijbelse beelden en visioenen willen niet zoet houden, maar aansporen. Vasthouden aan het woord van de Opgestane, dat deze schriftwoorden "heden voor uw oren vervuld" zijn (Lucas 4: 21).