Wit of zwart?

Over toga's en stola's - door ds Ynte de Groot

Onlangs werd Harold Schorren bevestigd als predikant van de Samen op Weg gemeente van Ezinge c.a.. Er deden tien predikanten mee aan de handoplegging, de manier waarop kerken van de calvinistische traditie de apostolische successie tot uitdrukking brengen. Van de verzamelde predikanten was er één in stemmig pak, twee droegen een zwarte toga, één een grijze en zeven een witte. Ook de pasbevestigde droeg wit. Hoe zit het eigenlijk met de kleding van de predikant?

Een dominee draagt zwart

Vroeger was het zo mooi overzichtelijk: in de (hervormde) kerk droeg de dominee een zwarte toga met een wit befje. Soms stond er een meneer in een zwart jacquet op de preekstoel. Dat was een kandidaat (van het Latijnse candidus dat ironisch genoeg wit betekent) die nog voor dominee leerde.

Mijn oom was dominee. Af en toe preekte hij in onze kerk. Dat vond ik een feest. Dan haalden mijn vader en ik hem op van de trein. Mijn vader balancerend met aan de hand de extra fiets voor mijn oom. En even later ik wiebelend met het koffertje met de toga achter op de bagagedrager. Het koord dat het kapotte handvat van het koffertje verving sneed een beetje in mijn handen.

Later, bij de eerste voorzichtige kanselruil in ons dorp, zag ik voor het eerst een gereformeerde dominee. Dat bleek een gewone meneer te zijn in een donker pak. En ongeveer in dezelfde tijd zag ik bij de begrafenis van iemand uit het dorp voor het eerste een katholiek priester: hij droeg een ingewikkeld gewaad met wit en veel kleur daaroverheen. Maar voor mij droeg een échte dominee een zwarte toga met een wit befje.

Beweging

Dat gevoel is nooit helemaal overgegaan. Toen ik predikant werd was er veel in beweging in de kerk. Ook in de kleding van voorgangers. Gereformeerde predikanten begonnen schoorvoetend ook toga's te dragen. En een enkele jaargenoot die eerder predikant werd dan ik koos voor een witte toga. Daarnaast raakten antependia, kanselkleden en stola's in de kleuren van het kerkelijk jaar in zwang.

In de zomer van 1983, een paar maanden voor ik in het ambt bevestigd zou worden, hakte ik bij de kleermaker de knoop door: het zou een zwarte toga met witte bef worden, maar wel met bijpassende stola's in de kleuren van het kerkelijk jaar. Het was, naar ik toen al besefte, een aanvechtbare keuze waarbij ik tot nu toe toch maar gebleven ben.

Priester en predikant

In de synagoge, maar ook in de vroege kerk, onderscheidde de kleding van de voorganger zich niet van de gemeenteleden. In de synagoge -maar ook thuis- dragen allen bij de gebeden een witte gebedsmantel. En in de vroege kerk ging men allemaal 'op zijn zondags' in de beste kleren naar de kerk.

Specifieke liturgische kleding ontstaat in de kerk pas later. De Reformatie schaft alles wat maar in de verte lijkt op het misgewaad af. Niet zo verwonderlijk in een tijd dat men de paapse mis als 'vervloekte afgoderij' bestempelt. De protestantse predikant heeft dan ook een andere functie dan de rooms katholieke priester. De predikant is er niet om het offer van Christus onbloedig te herhalen, maar om de Schriften uit te leggen. De predikant is geen priester, maar ouderling met bepaalde opdracht. Helemaal consequent is de Reformatie hierbij overigens nooit geweest: sommige handelingen die voordien taak van de priester waren (avondmaal bedienen, huwelijken zegenen, dopen, ambtsdragers bevestigen) bleven tot op de dag van vandaag alleen aan de predikant voorbehouden.

Als leraar draagt de predikant - zoals alle academici van zijn tijd - een lange geklede zwarte mantel, met daarover als academisch insigne de tabberd. Engelse academici dragen die nog steeds als een soort cape die zij gown noemen. Op TV waren ze te zien in de avonturen van inspecteur Morse.

Overigens bestempelden de synoden van de begintijd van de reformatie de vraag van de kleding als een 'middelmatige zaak', d.w.z. een niet erg belangrijke aangelegenheid. De plaatselijke gemeenten mochten daarover zelf beslissen. Pas in de 19e eeuw krijgen lutherse en hervormde predikanten het advies een zwarte toga te dragen. Dat is dan een lange zwarte jas waarop de tabberd rudimentair, in de vorm van stroken zwart fluweel of zijde, herkenbaar blijft.

Door de week

De vraag naar de toga gaat alleen over de herkenbaarheid in de eredienst. De meerderheid van de predikanten van de calvinistische traditie is tegenwoordig van maandag tot en met zaterdag onherkenbaar. Anders dan protestantse geestelijken als Scandinavische lutheranen en Britse anglicanen. Om maar te zwijgen van orthodoxe en katholieke (behalve in Nederland dan) priesters, die je al van verre herkent.

Dat is niet altijd zo geweest, ook niet in de Reformatie. Predikanten waren lange tijd ook door de week herkenbaar. Voornamelijk doordat zij zich ouderwets kleedden. Tot ver in de tweede helft van de 19e eeuw liepen dominees rond in een zwarte kniebroek met kuitgespen en met een driekantige steek op het hoofd, hoewel deze dracht al jaren uit de mode was. De Britten houden dit soort dingen langer vol dan wij op het continent: de kleding van de voorzitter van de synode van de Scotch Church bestaat ook nu nog uit een zwarte kuitbroek, witte kniekousen met daaronder zwarte schoenen met zilveren gespen.

De enige uitzondering zijn tegenwoordig de predikanten van zeer behoudende gemeenten. Die dragen de hele week door een driedelig zwart kostuum, ook als de mussen van de hitte van het dak vallen.

In het algemeen heb ik er best vrede mee, dat ik als predikant min of meer anoniem door de stad kan lopen. De afstand tot andere gelovigen en tot de rest van de samenleving wordt er niet onnodig door vergroot. Maar het komt de zichtbaarheid van de Kerk in de samenleving niet bepaald ten goede. Kort geleden nog, bij de herdenking op TV van de slachtoffers van de aanslagen in de Verenigde Staten, zag ik bisschop Van Luyn met priesterboord, imam Haselhoeff met tulband en bisschop Cicek in vol ornaat als zeer herkenbare geestelijken in beeld. Daarbij staken de aanwezige Baptisten, Christelijk Gereformeerden, maar ook onze eigen Samen op Weg scriba dr Bas Plaizier maar bleekjes af. Zij waren in hun stemmige kostuums geen geestelijk leiders, maar burgerheren.

De albe als doopgewaad en de stola als kenmerk

Sinds er nagedacht wordt over vernieuwing van de liturgie en daarbij ook het oog op de oecumene wordt gehouden is ook het denken over de liturgische kleding weer op gang gekomen. In de Rooms Katholieke traditie komt men terug van de overvloedig rijke misgewadencultuur, maar ook in de kerken van de Reformatie bezint men zich over ambt en eredienst. Daarbij komt vaak de witte toga, of albe, in beeld. Eigenlijk niet anders dan een doopjurk, die iedere gedoopte kan dragen.

Vandaar dat in sommige kerken (b.v. de studentengemeente in onze stad) de leden van de cantorij een albe dragen. Ook in Rooms Katholieke kerken dragen niet-gewijde pastoraal werkenden in de liturgie een albe.

Het is de stola die het verschil maakt. In de Rooms Katholieke, maar ook in de Oosters Orthodoxe traditie is de stola het teken van de priesterlijke waardigheid. Die wordt wel gezien als het symbool voor het juk waaronder de drager ervan behoort te buigen, de last die hij of zij draagt (Mt 11,30).

Toen ik mijn studieverlof in een Syrisch Orthodox klooster doorbracht kreeg ik tijdens de eucharistieviering dan ook prompt een stola omgehangen. Want ik was dan wel protestant en de theologen van onze kerken moesten nog wel veel met elkaar bespreken, maar ik was in mijn kerk gewijd en hoorde dus een stola te dragen.

Wit of zwart?

Al sinds ik in 1983 predikant werd hink ik op twee gedachten. Want een stola en een zwarte toga horen eigenlijk niet bij elkaar. Bovendien zou de witte albe mij passen, want de Doop is ons aller uitgangspunt als gelovigen. Toch is de zwarte toga mij lief, omdat hij in de eredienst voor mij díe taak die ik zelf het belangrijkst vind onderstreept: het uitleggen van de Schriften. Daarbij verbindt de stola me met al die mensen die in andere christelijke tradities het zachte juk van Christus willen dragen in hun kerkelijk werk.

Op vakantie in Indonesië zag ik dat In de protestantse kerk van Flores álle dienstdoende ambtsdragers - predikant, ouderlingen en diakenen - een stola droegen. De ouderlingen en diakenen over hun zondagse kleren, de predikant over zijn zwarte toga. Ik voelde me er onmiddellijk even thuis.