Nieuwe Kerk zondag 31 december 2017

overdenking  van ds Ynte de Groot over Lucas 2: 21-40
 

We begonnen de lezing uit het evangelie een vers eerder dan het Luthers rooster voor vandaag aangeeft, namelijk meteen na het vertrek van de herders uit de stal van Bethlehem, waar het met Kerst gewoonlijk ophoudt. Het gaat om dit gedeelte: Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen. Dit vers is de evangelielezing voor morgen. Niet voor de Nieuwjaarsdag als zodanig, maar voor de achtste dag na Kerst. Ooit kende de kerk het gebruik om de hoge feesten acht dagen lang te vieren, net zoals het Jodendom dat deed. Zo’n periode van acht dagen heet een octaaf. Op het octaaf van Kerst werd Lukas 2, 21 gelezen – immers dat speelt acht dagen na de geboorte van het Kind. Het gaat dus over de besnijdenis en de naamgeving. Culturen en godsdiensten die de besnijdenis praktiseren doen dat bijna zonder uitzondering bij de overgang van de kindertijd naar de puberteit: de besnijdenis is een rite-de-passage, markeert het begin van de volwassenheid. Want pas als volwassene kan je volwaardig meedoen. In het Jodendom ligt het dus anders. Daar wordt op de 8e dag na de geboorte besneden. Dus niet op de drempel naar de volwassenheid, maar wanneer is gebleken dat een pasgeboren kind levensvatbaar is. Deze gewoonte is op zichzelf al een belijdenis: het opgenomen worden in het verbond van God met Israël heeft niet te maken met een volwassen keuze, met persoonlijk geloof of bewuste bekering. Nee, een mensenkind wordt opgenomen in Gods bedoelingen met de wereld, nog voor het tot enig eigen initiatief in staat is. God strekt zijn hand naar ons uit voor wij dat zelfs maar kunnen beamen. Dat spreekt mij aan. Het betekent dat wie met de God van Israel wil leven zich niet telkens af hoeft te vragen of hij of zij er wel bij mag horen, of je wel goed genoeg bent: je hoort er gewoon bij op grond van het feit dat je geboren bent en leeft. Even terzijde: vanwege deze notie ben ik er ook dankbaar voor dat ik als kind ben gedoopt en bedien ik zelf vol vreugde de Doop aan kinderen: ook daarin wordt immers uitgesproken dat wij mensen, nog voor wij zelfs kunnen geloven zijn opgenomen in het grote verhaal van God met de mensen. Het ja van God gaat aan alles vooraf. De Doop is niet de keuze van een individu voor God, maar omgekeerd: in de Doop zegt God ja tegen ons mensen. Het tweede dat we in dat korte stukje hoorden was dat het kind een naam krijgt. Wie in het verbond van God met de mensen leeft mag iemand zijn. Die legt de anonimiteit af en is gekend. Die kan worden aangesproken bij zijn naam en die kan dus ook verantwoordelijkheid dragen voor zijn of haar plaats in het verbond. Ik denk aan Lied 647, een Paaslied van Henk Jongerius Voor mensen die naamloos, kwetsbaar een weerloos door het leven gaan, ontwaakt hier nieuw leven, wordt kracht gegeven: wij krijgen een naam. Net als de Eeuwige een Naam heeft. De God van Israël is niet het iets waar veel mensen wel in geloven, maar een Naam die zich waarmaakt in de geschiedenis. Niet een God die wel ergens zijn zal, maar de Aanwezige. De God van de Schrift is met zijn Woord en Geest op de mensengeschiedenis betrokken en doet op ieder mensenkind een appèl. Welnu, in de naam Jezus komen de beide kanten van het Verbond samen. Jezus – Jehoshua - ‘de Heer redt’. In deze naam wordt aan de ene kant het vertrouwen uitgesproken in Gods bevrijdende betrokkenheid op de wereld en aan de andere kant wordt rol onderstreept die dit mensenkind in die geschiedenis spelen zal. De hemel en de aarde komen samen. In Jezus, de mens bij uitstek komen de toewijding van God én die van een mens samen. Nu blijkt dit niet alleen maar hoopgevend. Het roept ook tegenspraak op. Daarover gaat het als Lucas vertelt van de ontmoetingen met Simeon en met Hanna en dat zal natuurlijk het hele evangelie door blijken. Simeon en Hanna herkennen in Jezus de langverwachte Messias die redding zal brengen, maar zij weten ook in welke wereld Hij is gekomen. En hoe op zijn boodschap zal worden gereageerd: hoe zijn woorden helend en genezend zullen blijken, maar dat zij ook bij velen geen gehoor zullen vinden. Zij kennen de geschiedenis van de profeten van Israel en weten van de tragiek van de verhouding van God met de mensen. God wil een heilzame weg met hen gaan, maar de mensen gaan eigen wegen. Zij zien uit naar licht, maar zijn tegelijk gefascineerd door het donker. Zij verlangen naar vrede, maar durven geen eerste stappen te zetten. Zij hopen op liefde, maar beschadigen soms wat het liefste is. Lucas schrijft hierbij natuurlijk vanuit de wetenschap hoe het Jezus verder is vergaan. Zijn lichtende woorden en daden vonden weerklank maar riepen tegelijk krachtig verzet op. Rond Jezus zijn meningen diepgaand uiteen gegaan. Door Hem zijn mensen tot opstanding gekomen, maar ook gestruikeld en afgehaakt. “Hij zal een teken zijn dat betwist wordt.” zegt Simeon erover. Met het woord teken grijpt Lucas terug op wat hij vertelde over de Kerstnacht. Toen sprak de engel van een teken: “Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.’  Het Kind in de voederbak is een teken, dat door de herders maar al te goed wordt begrepen. Want een kind in een voerbak, dat is hun eigen wereld. Ook hún kinderen liggen in voerbakken bij gebrek aan beter. Het teken van het Kind wil allereerst zeggen dat God hun onooglijke bestaan kent. De Eeuwige ziet en deelt hun door anderen betekenisloos geachte leven zonder eer of heerlijkheid. Dat geeft hun bestaan een nieuwe glans en waardigheid, het is reden tot grote vreugde, het betekent opstanding! Maar het teken van het Kind in de voerbak zegt tegelijk ook, dat de God waarvan het Kerstevangelie spreekt geen mannetjesputter is, geen uitvergroting van de presidenten en prelaten die we maar al te goed kennen. De Eeuwige komt weerloos als een Kind tot ons. Het teken van het Kind in de voederbak, op de arm van Simeon, maakt duidelijk, dat de God van de Schrift niet met macht ingrijpt in de wereld, maar hoopt dat mensen geraakt zullen worden door de weerloosheid van dit Kind, dat zij erdoor bewogen zullen worden tot tederheid, zorgzaamheid en verantwoordelijkheid. De Eeuwige regeert door het appèl dat van het Kind uitgaat: zo wil Hij onze hoop wekken, ons geweten scherpen en ons handelen sturen. Onze cultuur staat goddank nog steeds onder de invloed van dit appèl. Want ook al noemt in onze samenleving de meerderheid van de bevolking zich niet gelovig, er zijn binnen en buiten de kerk tal van mensen en organisaties die zich laten raken door het lot van anderen. Die via de Open Hof en de Voedselbank, het Hospice en Artsen Zonder Grenzen, Amnesty en Humanitas opkomen voor wie zichzelf niet kunnen redden. En overal waar dat gebeurt – al is het tegen de klippen op en tegen alle cynisme in dat zegt dat het allemaal zo weinig uithaalt – overal waar dat gebeurt, leidt het teken van het Kind van Bethlehem tot opstanding en leven. Ik bidt, dat wij dat hier in deze gemeenschap en in ons leven buiten mogen koesteren en ons in dienst stellen van die Heer , die regeert met de overmacht van de liefde en die ons toevertrouwt aan elkaar. Tot heil van de wereld en tot eer van de grote Naam, Vader, Zoon en heilige Geest.